Hoofdstuk 1


Vers 1

Jesaja

Jesaja 750-690 vóór Chr, dus 60 jaar.

Jesaja = Jahweh redt.

Waarschijnlijk van koninklijk bloed. Waarschijnlijk was Amázia, de vader van Koning Uzzia, zijn oom. Uzzia was dan zijn neef.


Doelen van profetieën. 

  1. Ze geven hoop. 1 Petrus 1:3-7.
  2. Ze laten zien dat het einde nabij is. 1 Petrus 4:7. 1 Johannes 2:18.
  3. Ze helpen om de tijden te verstaan. Mattheus 24:4-5. Mattheus 24:11-12. Mattheus 24:23-26.
  4. Ze sporen ons aan om heilig te leven. Lukas 19:13 Kolossenzen 3:4-5 Titus 2:11-13. Openbaring 22:10-12
  5. De bestudering ervan maakt ons gelukkig, zalig. Openbaring 1:3 Openbaring 22:7-9.
  6. Ze versterken ons vertrouwen in de Heere Jezus. Johannes 16:33.



Vers 2

God als teleurgestelde Opvoeder.

God weet precies wat het is, als je opvoeding mislukt lijkt. De kinderen gaan niet in Gods weg, vreselijk. God maakte het Zelf ook mee. Hij begrijpt ons verdriet als géén ander.


VdW:

Zonen hebben erfrecht. Het erfdeel is het Messiaanse rijk.

Het volk kwam in opstand, al vanaf Salomo werden afgoden weer gediend. In vs 5-8 bedreigt Jesaja rampen en oorlogsgeweld.

  1. Syro-Efraïmitische oorlog 734-733.
  2. Assyrische rooftocht 732.
  3. Assyrië ttv Hizkia 701.



Vers 3

Rund en ezel.

Deze dieren komen in het kerststalletje, omdat wij Jezus' kribbe in een stal plaatsen. De bijbel spreekt in het kerstverhaal nergens over een stal. Die gedachte komt uit het heidendom. De "god" Mithras werd op 25 december in een stal geboren. Wij hebben de geschiedenis van de geboorte van Jezus vermengd met de geschiedenis van een afgod.



Vers 4

Wee, het zondige volk

Er staat gôwy=heidenvolk. Dit tegenover ammi, een naam voor Israël.

Israël is diep gezonken. "Zware ongerechtigheid" staat er.


Eth.

Het woordje "eth" wordt eigenlijk nooit vertaald.

Het staat vóór HEERE en vóór Heilige.

2x staat er "eth"= liefde of genegenheid. Ze hebben de liefde van de HEERE verloochend en de genegenheid van de Heilige Israëls versmaad.



Vers 5

U gaat gewoon door...

Israël verhardt zich.

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.

Als God Zijn bescherming opheft, grijpt satan zijn kans. Hij hitst vijanden op tegen Israël.



Vers 6

Israël is doodziek.

Uitzichtloze situatie.

Heel Israël is dodelijk ziek.

Zonder God.



Vers 7

God straft.

De gevolgen van het verlaten van God zijn overal zichtbaar. Vreselijke toestanden.



Vers 8

Verwoest door Assyrië.

Sanherib zal Juda veroveren en verwoesten. Alleen Sion, Jeruzalem, blijft over ttv Hizkia.

En deze overgebleven stad wordt belegerd.



Vers 9

God redt op het gebed.

Jeruzalem bleef gespaard op het gebed van Hizkia. In Jeruzalem waren nog meer rechtvaardigen dan in Sodom.

Sodom en Gomorra wijst weer op de goddeloosheid van Juda.



Vers 10

God noemt hen Sodom.

Achaz en Manasse zijn zeer goddeloze koningen. De onderwijzing, de wet, is de Thora. Daar moeten ze naar luisteren.



Vers 11

Zulke offers wil God niet.

Het offer van de goddeloze is voor God een gruwel.



Vers 13

Nieuwe maansdag.

Dat is een van Gods feesten, het bazuinenfeest, Rosh Hashana.

Juist deze feesten had God geboden, maar zoals ze door deze goddelozen gevierd worden, dat háát God.


Bijzondere samenkomsten.

Dat zijn Gods feesten, 4 voorjaarsfeesten en 3 najaarsfeesten.



Vers 15

Handen uitspreiden.

Opgeheven handen, met handpalm naar boven.



Vers 16

De weg die God wijst

God roept op tot liefde. Bekering van boze daden.

Alléén na terugkeer tot God kan God redding brengen.

God noemt concrete punten in



Vers 18

Hoop voor wie zich bekeert.

Kom nu: spoed, voor het te laat is.


Scharlaken.

Deze kleurstof is niet uit wol te wassen.

De laatste 40 jaar (van 30-70 n C) is deze rode kleurstof van het lint van de zondebok nooit meer verkleurd, terwijl dat voorheen wel gebeurde. Dat betekende dat de zonden van het volk niet waren vergeven op de verzoendag.

Als het scharlaken lint verkleurde wist Israël dat de zonden vergeven waren.

Na het jaar 30 was er een beter offer gebracht, het Lam Gods. Jezus offerde Zich.


Als sneeuw.

Zie aantekeningen bij

Vertaalprobleem. In landen in de tropen kent men géén sneeuw. Daar wordt bv. vertaald:



Vers 19

Eten of gegeten worden.



Vers 21

Hoe is de trouwe stad..

VdW :

"Hoer" wijst op een kapotte verbondsrelatie. Eerst was Israël Gods vrouw.

God blijft Zijn ontrouwe volk trouw. Hij wil Israël altijd terug hebben.



Vers 22

Zilver wordt schuim.

Schuim = metaalslak.

Metaalslak ontstaat als het proces om zilver te smelten mislukt. Dan wordt het waardeloos.

Er is grote economische achteruitgang.


Zo ook verdunde wijn.

Zo is het Israël vergaan.



Vers 23

Uw vorsten zijn verdrukkers.



Vers 24

Ik zal Mij wreken.

De verzen 24-31spreken in radicale termen. Jesaja ziet op het vrederijk waar gerechtigheid zal zijn.

24b

"Ik zal Mij troosten.." :

VdW:

De wraak ziet hier mogelijk vooral op de eindtijd. God rekent dan af met de goddelozen uit Israël en ook uit de heidenen.

De "toorn van God" ontlaadt zich in de grote verdrukking.



Vers 25

Tegen u keren.

God keert zich tégen de goddelozen.


Tin.

Tin duidt ook op verontreiniging. God doet het onreine weg. God scheidt schapen van bokken in de toekomst.



Vers 26

Ik zal uw rechters teruggeven.

Volledige vervulling komt in het vrederijk.

Dan wordt het afvallige Israël weer "vrouw" van God.

Israël zal dan tot geloof zijn gekomen in de Messias.



Vers 27

Wie van haar zich bekeren.

En haar wederkerenden door gerechtigheid (sv)

VdW:

Na de Babylonische ballingschap waren de terugkerenden niet rechtvaardig. Ook werden ze niet door een rechtmatig oordeel (VdW) verlost.

Deze profetie van Jesaja ziet op de eindtijd, na de grote verdrukking. Dan is Israël een volk van rechtvaardigen. De Messias is hun Koning in Jeruzalem.



Vers 28

Rampen.

In Openbaring 6 tot Openbaring 19 lezen we over de rampen die de goddelozen zullen treffen.

Een vreselijke tijd, de grote verdrukking.



Vers 29

Eiken.

In vers 29 staat een ander hebreeuws woord dan in vers 30.


VdW: Het gaat in vers 29 niet over "eikebomen", maar over "machten" in de eindtijd:

Het hebreeuwse woord voor "eik" is in vs 30 anders.

Waarschijnlijk koos men "eik" vanwege het woord tuinen.



Vers 30

U zult zijn.

U = de machtigen uit vs 29.



Vers 31

Wie het bewerkt...

VdW:

De werken van de antichrist en valse profeet en Gog zullen het oordeel van de HEERE ontsteken.

Ze zullen omkomen.



<