Hoofdstuk 4


Vers 1

Wie zegt dit?

Vriendin - bruid.

In de verzen 1-7 gaat het over "vriendin". Vanaf vers 8 spreekt een bruidegom over zijn bruid. Deze bruidegom komt uit de buurt van de Libanon.

Waarschijnlijk zijn er twee verschillende mannen aan het woord.


De ogen.

Haar ogen zijn op één persoon gericht, op haar geliefde herder. Zo is haar hele lichaam verlicht.

Duiven.

Een duif heeft een sterke binding met de partner.

Zo ook dit meisje.


Uw haar.

Lang haar is een teken van toewijding en trouw.

Zo was het bij nazireeërs.

Als er sprake is van ontrouw in een huwelijk, dan komt ook het haar aan de orde.

Kudde geiten.

Een geit is bij uitstek het dier voor het zondoffer. Denk aan de verzoendag.

Wie zich bewust is van wat Jezus deed om de zonde van de wereld weg te dragen, zal vol toewijding aan Hem zijn.



Vers 2

Pasgeschoren schapen.

Deze schapen zijn schoon en mooi wit.

In boven-en onderkaak staan de tanden mooi tegenover elkaar. Vandaar: tweelingen.



Vers 3

Uw spreken.

Letterlijk:

Onze slapen.

Als wij "koppie, koppie" willen aanwijzen, dan wijzen we op onze slapen en niet op ons voorhoofd.

Slapen hebben te maken met ons denken.

In haar gedachten is het meisje steeds bij haar geliefde herder.


Opengesprongen granaatappel.

Een doorgesneden granaatappel vertoont veel pitjes.

Als de man door de sluier heen haar rode slapen ziet, dan lijkt dat op een doorgesneden granaatappel.



Vers 4

Schilden ophangen.



Vers 5

Borsten.

De borsten zijn een beeld van volwassenheid.

Ook een beeld van het geven van voedsel.


Ook geestelijk heeft dat wat te zeggen.



Vers 6

Zie aantekeningen bij Hooglied 2:17

In zijn beschrijving van Sulamith gaat de spreker steeds lager.

Wie zegt iets in vers 6?



Vers 8

Kom met mij mee, bruid.

Hier is waarschijnlijk de geliefde herder aan het woord. Hij noemt haar niet "vriendin", maar bruid.

Bij de Libanon hebben ze elkaar leren kennen.

Nu gaat de herder zijn bruid prijzen. Maar hij richt zich niet op haar lichaam, maar op haar persoon,

op haar liefde,

op haar woorden.

op haar kuisheid.

Amana.

Amana is een berg in de Anti-Libanon. Daar ontspringt de rivier Abana.

Senir.

Dit is een bergtop in het Hermongebergte.

Weg van de holen van de leeuwen.

De bruid is nu op een gevaarlijke plek. Daar zijn leeuwen en luipaarden. Ze moet daar weg. Ze moet met de bruidegom mee en vluchten.



Vers 9

Mijn hart veroverd.

Mijn zúster.

Zijn bruid en bruidegom in afkomst gelijk?

Dat pleit wél vóór de herder als de geliefde.



Vers 12

Gesloten en verzegeld.

Sulamith is geen allemans vriendin. Ze wordt vergeleken met een afgesloten tuin. Alleen de eigenaar mag daar komen en van de vruchten genieten.

Een verzegelde fontein wijst daar ook op. Alléén een daartoe gerechtigd persoon mag het zegel verbreken.


Zo wil Jezus ook dat wij alléén voor Hem zijn.



Vers 14

Saffraan.

Saffraan was één van de duurste en fijnste parfums die er bestond. Het werd bereid uit een soort krokus.


Kalmus en kaneel.

Voor Israël waren dit exotische specerijen. Ze waren duur en moesten van ver komen.

Daarmee drukt de geliefde herder uit hoe bijzonder zijn vriendin is.


Mirre en aloë.

Kostbare producten. Zo kostbaar is zijn vriendin voor hem.

De wijzen gaven mirre toen ze het Kind Jezus vonden.

Nicodemus gaf deze producten bij de begrafenis van Jezus.

Heilige zalfolie.

De heilige zalfolie was alléén voor God. Niemand mocht die namaken voor eigen gebruik.

Kalmus, kaneel en mirre waren daar bestanddelen van.



Vers 15

Bron van de tuinen.

De liefste had haar een besloten tuin genoemd. Nu noemt zij hem de "bron van de tuin".

Die bron heeft levenwekkend water. Daar verlangt "de tuin" naar.

Die bron is nodig om vrucht voort te brengen.


Water van de Libanon.

Dit wijst erop dat haar liefste uit het noorden van het land afkomstig is.

Dat wijst dus opnieuw dat de geliefde de herder is en niet Salomo. Salomo kwam uit Jeruzalem.



Vers 16

Sulamith aan het woord.

Ze vindt het fijn dat de geliefde haar een afgesloten tuin noemt.

Kom in de tuin en geniet van mij.


Wind.

Ze vraagt om noordenwind, om het dode hout weg te nemen. Die wind is koud. Bovendien verdrijft de noordenwind de regen.

Als de regen wegtrekt, kunnen de planten beter hun geur verspreiden. Zo wil de gelovige graag de geur van Christus verspreiden.

De bruid vraagt om de warme zuidenwind om de tuin tot leven te brengen. Ze wil geur verspreiden voor haar liefste.


Eten van zijn beste vruchten.

De a.s. bruid is de tuin.

De a.s. bruidegom is de waterbron.

Door dat water komen er in de hof vruchten.

De geliefde herder mag er van genieten. Hij alléén.

Is er iets in jouw hof waar Jezus van kan genieten?

Is daar de vrucht van de Heilige Geest?



<