Hoofdstuk 8


Vers 1

Salomo vond "vrouw Wijsheid" niet. Toch geeft hij nu aanwijzingen om toch wijs te leven.

Paradox: wijzen onderwijzen wel hoe men wijs kan handelen, maar de ware wijsheid doorgronden, ligt niet binnen ons bereik>



Vers 2

Houdt u aan het bevel van de koning.

Een wijze moet in zijn wijsheid niet hoog van de toren blazen. Dat kan aan het hof gevaarlijk zijn.

Maar... een wijze kan zeker invloed hebben op de koning.

Men heeft, in de naam van God, de eed van trouw aan de koning afgelegd.

Daarom moet men trouw zijn aan de eed.



Vers 3

Als je het gebod van de koning gehoorzaamt, hoeft men niet bang te zijn.



Vers 4

Een despoot.

Hier wordt niet de ideale koning beschreven, zoals in



Vers 5

Tijd en oordeel

De wijze weet, dat ook een despoot zich eens voor God zal moeten verantwoorden.


Anders: een wijze weet wanneer hij moet spreken of zwijgen.



Vers 6

Kwaad van de mens.

  1. Dit slaat terug op het oordeel van God over de mens die veel kwaad doet.
  2. Deze woorden zien op wat volgt. Het wijst op de beperkte kennis die de mens heeft, als het kwaad hem overkomt.



Vers 8

Geest

We hebben er geen controle over. Niemand beheerst de dag van Zijn dood.



Vers 9

Hem ten kwade

Ws is de onderdrukte bedoeld.



Vers 10

Goddelozen, rijken, maken graftombes. Zelfs na hun dood zijn ze nog niet anoniem. Aan rechtvaardige árme wijze mensen wordt in de stad niet meer gedacht na hun dood. Dit is voor het verstand onbegrijpelijk. Dat noemt prediker ook vluchtig.



Vers 11

Uitstel van het vonnis.

Het kwaad wordt niet snel bestraft. Dit kan zien op Gods oordeel, maar ook op een koning die in gebreke blijft. Zo kan de goddeloze toch een lang leven hebben. Onbegrijpelijk, want het zou de wijzen en rechtvaardigen toch goed gaan?



Vers 12

Paradox.

In vers 12 verlengt God de leeftijd van de goddeloze en in vers 13 lees je het tegengestelde.

Hoelang zijn dood ook wordt uitgesteld de goddeloze hoeft geen enkele hoop te hebben op leven ná de dood. Hij komt in de eeuwige dood.



Vers 14

Niet te begrijpen.

Het gaat de goddeloze goed en de rechtvaardige niet.

Asaf had het daar ook moeilijk mee.



Vers 15

Als je het bekijkt als een wereldling.

Geniet van het leven.

Pluk de dag.



Vers 17

Gods werk is niet te doorgronden.

Zelfs de wijste mens moet in God zijn meerdere erkennen. De Wijsheid, God, is ongrijpbaar. Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten.

We zwoegen om Gods werken te doorgronden. Dat bewijst wel Wie ons maakte en voor Wie we gemaakt zijn.



<