Hoofdstuk 7


Vers 2

Oogappel

De geboden zijn als een oog. Een oog beschermen we goed. De geboden zijn Gods onderwijs. Dat is dus buitengewoon belangrijk.

Israël kent de vreugde vd wet.

Israël is het volk vh boek.

Ook de Christenen zijn volk vh boek.

De Thora is niet vooral studieboek, maar moet een gids zijn, een handleiding voor ons leven.

De Thora is een ketuba, een huwelijkscontract. Het is als een huwelijksgeschenk.



Vers 3

Bind ze aan je vinger.

De geboden moeten onafscheidelijk met je meegaan, zoals een ring om je vinger.


Op de tafel van je hart.

Wat in je hart zit raak je niet kwijt. Niemand kan dat afnemen.

Wat in je hart staat is richtingbepalend voor je leven.

Als je de wet in jouw hart sluit, dan lijk je op Jezus.

De wet ín het hart hoort bij het nieuwe verbond.



Vers 4

Wijsheid en inzicht.

Deze 2 belangrijke eigenschappen moeten je buitengewoon dierbaar zijn. Ze moeten zijn als directe familieleden.



Vers 5

Zij zullen je bewaren.

Zij = wijsheid en inzicht.



Vers 9

In het donker.

Wat hij van plan is kan het daglicht niet verdragen.

Het zijn werken van de duisternis.



Vers 10

Uitgedost.

Ze kwam in erg verleidelijke kleding. Ze wil deze verstandeloze jongen verleiden.



Vers 14

Dankoffers brengen.

Deze vrouw doet zich vroom voor. Ze bracht dankoffers en heeft voor zichzelf nog wat over.

Deze jongen mag haar gast zijn.



Vers 17

Vooral in de slaapkamer ruikt het heerlijk.



Vers 18

Liefde.

In Hooglied wordt het grondwoord vaak vertaald door: Mijn liefste.

Overspel wordt hier dus als liefde voorgesteld.



Vers 19

Mijn man is weg...

De vrouw geeft duidelijk aan dat deze verstandeloze jongen geen gevaar loopt.



Vers 21

Ze haalde hem over.

Wat was het anders bij de godvrezende Jozef.

Hij vluchtte weg toen de vrouw van Potifar zo tegen hem sprak.



Vers 26

Veel dodelijk gewonden.

Dat is het gevolg van overspelig leven.

Geslachtsziekte.



<