Hoofdstuk 34


Vers 1

Houw 2 stenen tafels.

De eerste wetstafels waren het werk van God zelf. Ook beschreef God ze.

Het tweede stel wetstafels hakte Mozes.


Die u in stukken brak.

God was niet boos om de daad van Mozes.

De gebroken tafels lieten zien wat Israël had gedaan. Israël brak Gods verbond.



Vers 3

Niemand

Deze keer mag ook Jozua NIET mee.



Vers 5

God roept Zijn Naam.

God zegt opnieuw Zijn Naam tegen Mozes.

God zegt veel méér.



Vers 6

Jona weet hoe God is.

Hoe is onze God?

God roept Zijn eigen Naam. God spreekt over Zichzelf.

Zo moet ook ons beeld van God zijn.

Dat moeten ouders hun kinderen ook leren.

We zien hier het wezen van God.

In onze levenswandel moeten we op God lijken.



Vers 7

Generatievloek.

Het kind volhardt in zonden van de ouders. God houdt het kind dan ook schuldig.

God straft géén onschuldige kinderen voor de zonden van de ouders.



Vers 8

Mozes krachtige gebed.

Mozes hoorde wat God over Zichzelf bekendmaakte.

Hij weet nu hoe God is. Hij kent Gods eigenschappen.

Mozes grijpt dit onmiddellijk aan en pleit op Gods eigenschappen om genade voor het volk.

En...God hoorde!!!



Vers 9

Heere.

Mozes zegt Adonai.

Dat is niet de naam HEERE die God zelf noemde.



Vers 10

Ik sluit een verbond.

Het krachtige gebed van Mozes wordt verhoord.

Het verbroken verbond wordt door God vernieuwd.

Wat zal Mozes blij geweest zijn!

Tot aan vers 27 staan allerlei voorwaarden voor dit verbond.



Vers 12

Geen verbond met Kanaänieten.

Het gaat toch weer mis. Jozua zelf doet deze zonde.



Vers 14

Géén andere god.

God is de Echtgenoot van Israël.

Als Israël afgoden gaat dienen is dat "vreemd gaan". God is dan heilig jaloers, naijverig.


Gods namen.



Vers 18

Vastgestelde tijd.

Dit feest begint met Pesach, 14 Abib.

Dan volgt het feest van de ongezuurde broden, 7 dagen.

De eerste dag, 15 Abib, kan een doordeweekse dag zijn, maar wordt als sabbat gevierd.

Deze sabbat is heel belangrijk.

Ook de laatste dag, 21 Abib, moet een féést zijn.



Vers 21

In de oogsttijd ook rusten.

Ook in de oogsttijd moet men toch, ondanks de drukte, op de sabbat rusten.



Vers 22

Wekenfeest.

Vanaf het aanbieden van de eerstelingschoof van de gerst telde men 7 weken.

Op de vijftigste dag was dan het wekenfeest, het pinksterfeest.


Feest van de inzameling.

Dat is het Loofhuttenfeest, het laatste najaarsfeest.

Gods feesten staan in



Vers 26

Bokje in melk koken.

Bij heidenen bestond het bijgelovige gebruik om aan het eind van de oogst een bokje te koken in de melk van de moedergeit. Daarmee besprengde men fruitbomen en wijnstokken om de vruchtbaarheid te bevorderen.



Vers 27

Een verbond.

God sloot een nieuw verbond nadat Mozes had gebeden.



Vers 28


40 dagen en nachten.

Dit was de tweede keer.

De eerste keer was toen hij de eerste wetstafels ontving.



Vers 29

Glansde.

Het Hebreeuws kan ook vertaald worden met:

Dat is regelmatig te zien op schilderijen of op gebrandschilderde ramen.

Daarop staat Mozes met hoorntjes.


Die glans had Mozes de eerste keer niet.



Vers 35

Bedekking op het gezicht.

Dat heeft een diepe betekenis.

Mozes = de wet.

Naar zo'n blinkende wet kunnen we niet zien en toch blijven leven.

De wet vervloekt ons en verdoemt ons.

In 2 Corinthiërs 3 haalt Paulus dit voorval aan.

Hij raadt ons aan om niet naar de blinkende wet te kijken, maar ons oog op Jezus te slaan. Jezus heeft een andere, veel betere heerlijkheid dan de wet.

Dan moeten we ons wel omkeren, dus bekeren.

Dan neemt God de bedekking van ons hart.

Dan bedekt Jezus de wet, want Hij heeft de wet vervuld en de vloek van de wet weggenomen.



<