Hoofdstuk 99


Vers 1

Hij troont tussen de cherubs.

De ark is Gods troon.



Vers 2

In Sion.

Sion is een berg in Jeruzalem.

Sion kan ook een naam zijn voor Jeruzalem. Dat laatste is hier het geval. Sion is de stad van de grote Koning.

Zowel op aarde als in de hemel is een berg Sion.



Vers 3

Laten zij u loven.

"Zij" = de volken.

Dit gaat in de toekomst zeker gebeuren.



Vers 4

Loof de macht van de Koning.

Als Jezus wederkomt, zal Hij Koning zijn over het huis van Jakob.

Alle volken zullen Hem hulde brengen.

Recht en gerechtigheid.

Jezus zal regeren in recht en gerechtigheid.

Zo regeerde David ook. Hij was een type van Jezus.



Vers 6

Mozes.

God verhoorde Mozes.

Samuël.

God verhoorde Samuël.

Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters.

Mozes offerde wel.

In dat opzicht was hij een priester.

Het echte priesterschap in Israël hoorde bij het geslacht van Aäron. Mozes hoorde daar niet bij.



Vers 7

Zij hebben in acht genomen.

Zij =



Vers 8

U hebt hen verhoord.

God verhoorde Mozes.

God verhoorde Samuël.

God vergaf de zonden van het volk op hun voorbede, maar God oefende wraak over de zonde van Mozes en Aäron, toen ze op de rots sloegen i.p.v. er tegen te spreken.



<