Gittith.
Een instrument met een vrolijke klank, uit Gath.
De zonen van Korach.
Korach ging, nadat hij het priesterschap van Aäron betwistte, levend naar het dodenrijk.
Zijn kinderen bleven gespaard.
Deze "zonen van Korach" zijn nakomelingen van deze opstandige Korach.
Hoe liefelijk.
Liefelijk, omdat daar de verzoening wordt afgebeeld. Vooral liefelijk omdat God daar woont.
Woningen. (Meervoud)
Voorhoven.
Er waren 2 tabernakels, dus ook minstens 2 voorhoven.
Er waren meerdere voorhoven, zeker later in de tempel.
Roepen tot de levende God.
De dichter is niet de man van religie, maar de man van relatie met God.
Belangrijk is, dat deze God ook een verzoend God voor hem is.
Mijn hart en mijn lichaam.
Het verlangen naar God leeft in het hart van de dichter en zijn lichaam, zijn mond, laat dat verlangen ook horen.
Zelfs vindt de mus...
De dichter is jaloers op de vogels. Zij wónen in het huis van God. Ze zijn erg dicht bij het altaar.
Altaren.
In Uw huis wónen.
Welzalig.
Er staan 3 zaligsprekingen.
De kracht in U.
Wij hebben géén kracht van onszelf. God geeft kracht. Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht.
Gebaande wegen.
Er staat dat deze gebaande wegen in ons hart zijn. Daar denken we steeds aan. Dat zijn Gods wegen. De Heilige Geest leidt ons daarop.
Dal van de moerbeibomen.
God tot hun bron.
De Septuaginta heeft: God.
Er staat eigenlijk: het/hem.
Het = het dal.
Hem = God.
In dit droge dal stellen ze Hem (=God) tot hun fontein. Ze putten uit Gods trouwe zorg en goedheid.
Regen.
Herfstregen daalt als overvloedige zegen neer.
Om die regen bidt men op het Loofhuttenfeest.
De herfstregen is in Israël de "vroege" regen.
De voorjaarsregen is de "late" regen.
Kracht.
Mijn gebed.
Zie vers 3.
Gezalfde.
Een gezalfde kon zijn:
David was 3x gezalfd.
Hij had een verbond met God.
Andere koningen werden 1x gezalfd.
God is hoorder van het gebed en beschermer van Israël.
Voorhoven.
Er waren meerdere voorhoven.
Jeremia 36:10.
Ik koos liever..
Deze keus is vrucht van nieuw leven. Wie die keus deed, weet zeker dat hij/ zij op reis is naar het hemelse Jeruzalem.
Liever op de drempel van Gods huis.
Als de dichter op de drempel woonde, dan woonde hij bij God. In vers 5 noemt hij dat welzalig.
Wonen in de tenten van de goddeloosheid.
Goddelozen wónen in de tenten van de goddeloosheid. Ze voelen zich er prima thuis.
Gelovigen kunnen wel in de zonde vállen, maar ze kunnen er zich niet in thuis voelen.
Zon.
Anderen vertalen:
Dat past beter bij schild.
Zo is God onze bescherming.
God zal het goede niet onthouden.
Aan de oprecht gelovigen belooft God Zijn zegen.
Ook bewaart de HEERE een erfenis in de hemelen voor degenen die Hem vrezen.
Die op U vertrouwt.
Vertrouwen = geloven.
De mens die gelooft in Jezus, is welzalig.