Hoofdstuk 74


Vers 1

Van Asaf.

De psalm is uit tijd van de Babylonische ballingschap. De dichter is een lid uit de familie van Asaf, want Asaf zelf was een tijdgenoot van David. Bron van ellende is de verwoeste tempel en dat het volk meent dat God hen verwerpt.


Schapen van Uw weide.



Vers 2

Gemeente .

= Israël


Uw eigendom.

Exodus 19:5 noemt Israël het persoonlijk eigendom van God.


Sion.

Op de berg Sion stond de tempel.



Vers 3

Richt Uw voeten.

God was uit Jeruzalem vertrokken, kort voor de verwoesting van de tempel.

God moet maar eens naar Jeruzalem gaan om de verwoesting te zien.


De vijand.

Nebukadnezar en de Babyloniërs.



Vers 4

Tegenstanders.

= Chaldeeën, de Babyloniërs.


Zegetekens.

In de tempelafdelingen plaatsten zij hun vaandels.



Vers 5

Bijlen opheffen.

De Chaldeeën sloegen de tempel kort en klein, alsof ze in een bos hout aan het hakken waren.



Vers 7

Uw heilidom in brand.

Dit vreselijke gebeuren wordt ook beschreven in

Uw Naam.

Gods Naam is God zelf.



Vers 8

Ontmoetingsplaatsen.

Synagogen bestonden nog niet. Mogelijk zijn profetenscholen bedoeld.

Of worden oude heilige plaatsen bedoeld?



Vers 9

Geen profeet meer.

Er waren nog profeten:

maar het volk luisterde niet.


Niemand die weet hoelang.

Het volk had kunnen weten hoelang deze ballingschap zou duren.

Jeremia heeft geprofeteerd over de duur van 70 jaren.

Ze konden het weten. Daniël wist het ook.



Vers 11

Waarom trekt U Uw hand terug?

Daar had de profeet Jeremia veel over gezegd, maar ze geloofden hem niet.


Trek Uw hand uit Uw boezem.

Wij zouden zeggen: steek de handen uit de mouwen. Aanpakken.



Vers 12

Die heil brengt.

Heil = Jeshua.

Daar herkennen we de naam Jezus in.

Het geloof gloort.

Het oog richt zich nu op het heil en niet meer op het onheil van de verwoesting.


Hier op aarde.

Letterlijk:



Vers 13

Herinnering aan de uittocht.

Farao wordt zeemonster genoemd.

Het zeemonster heet ook Leviathan.

God strijdt tegen de goden van Egypte.

Hier strijdt God met de Leviathan, demon van de chaos.

Het is een veelkoppige zeedraak. (vs 14).

Egypte zelf wordt Rahab genoemd. Ook Rahab is een demon.

Ook in Openbaring 13 komt het Beest, de antichrist, als veelkoppig monster, uit de zee.



Vers 14

De koppen van Leviathan verbrijzeld.

De Leviathan is een zeemonster. Het dier is tot voedsel voor jakhalzen.



Vers 15

Doormidden gespleten.

Anderen vertalen:

Exodus17:6.

Numeri 20:11.


Zo staat het ook in de berijming van 1773.

Psalm 74:15 berijmd.


Stromende rivieren werden droog.



Vers 16

Alles is van God.

In de natuur toont U Uw almacht elke dag. Help ons toch.



Vers 18

U gesmaad.

De dichter neemt een sterk argument. Het gaat om Uw eigen eer, o God!



Vers 19

Wilde dieren.

= beeld van de Chaldeeën.


Tortelduif.

= beeld van Israël.



Vers 20

Verbond.

De dichter herinnert God aan Zijn verbond. Dat is eeuwig. De dichter houdt God aan Zijn woord. Dat moeten wij ook doen.



Vers 22

Sta op, o God.

Dit werd gezegd als de ark werd opgenomen en Israël verder trok in de woestijn.

Als ónze zaak Góds zaak wordt, staan we sterk.



Vers 23

Uw tegenstanders.

God zelf heeft deze vijanden gestuurd om het ongehoorzame Israël te straffen.



<