Hoofdstuk 39


Vers 1

Jeduthun.

Tijdgenoot van David.

Waarschijnlijk is het Ethan.

Hij hoorde met Asaf en Heman tot de voornaamste musici.



Vers 2

David let op zijn woorden.

Men beschuldigt David: "de ellende die hem trof, zal hij wel verdiend hebben".

David wil zich verdedigen. Maar een emotionele reactie kan snel in boosheid omslaan. Vandaar dat hij zich voorneemt om te zwijgen en goed op zijn woorden te letten.

Het woord "muilkorf" laat wel zien dat het zwijgen van David hem moeilijk viel.



Vers 3

Goede.

De Studiebijbel schrijft: het lijkt te wijzen op volkomen zwijgen. Niets goeds en niets verkeerds.

Maar... de beschuldigingen gaan door.

Innerlijk is het echt niet rustig.



Vers 4

Mijn hart werd heet.

David kookt van woede. Hij zucht onder het onrecht.

Hij gaat spreken, maar... tegen God.

Zo spreekt hij wel, maar zondigt niet.



Vers 5

Maak mijn eind bekend.

De reden voor deze vraag is onduidelijk.

Hij legt zijn ellendige situatie mogelijk op deze manier neer bij God en hoopt op hulp.



Vers 6

Een handbreedte.

Zelf geeft David antwoord op de vraag uit vers 5: "Wat is de maat van mijn dagen?"

Een handbreedte is 4 vingers.

God bepaalt onze levensduur. Dat vergroot het ontzag voor God.



Vers 7

Schijnbeeld.

De mens lijkt sterk, maar is erg broos. Ons leven kan zo eindigen.


Onrustig.

De mens is steeds maar bezig, rusteloos, om het bezit te onderhouden of te vergroten.

Waarom?

Voor wie is het straks bij het overlijden?



Vers 8

Gebed om verlossing (verzen 8-14).

Het vluchtige leven vraagt om verbinding met God. God is zijn hoop.

Wie God tot zijn deel heeft, heeft alles.



Vers 9

Red mij van overtredingen.

Zeker zijn er zonden.

De vijanden zien die ook en vergroten ze.

David vraagt vergeving.

Laat, Heere, niet gebeuren wat de vijanden willen.



Vers 10

U hebt het gedaan.

Hij zal zwijgen, dus niet opstandig spreken.

Hij weet dat dit lijden een straf van God is over zijn zonden.



Vers 11

Uw plaag.

David ziet de straf, de ziekte, als straf van God.

Huidziekte?



Vers 12

Zoals een mot (doet).

Een mot tast langzaam de kleding aan en vreet die weg. Zo werkt ook de straf van God. Die vreet de egoïstische verlangens van de mensen langzaam weg.


Aantrekkelijkheid.

Letterlijk:

Dat heeft een negatieve betekenis. Het gaat om begeerte en lust.

Dus: God tast niet de mens zelf aan.



Vers 13

Vreemdeling en bijwoner.

David is niet de eigenaar van het land. Dat is God. De vergankelijke mens woont er kort, als vreemdeling of bijwoner naast een stad.

God vraagt wel gastvrijheid en barmhartigheid voor zulke mensen. God zal zijn zoals Hij van ons vraagt.



Vers 14

Uw blik.

Blik=

Hij vraagt of dat mag verdwijnen en aub voordat hij sterft.



<