Hoofdstuk 33


Vers 1

Zing vrolijk..

Psalm 32 eindigt met deze oproep en Psalm 33 begint ermee.


Loflied.

God wordt om veel redenen geprezen.


De lofzang past ons.

God lofzingen wordt goed genoemd.



Vers 2

Harp.

Of lier.

In de HSV-tekst staat 2x harp.

In de grondtekst staan twee verschillende woorden: kinnôr en nebel.

Het gaat dus om twee verschillende muziekinstrumenten.



Vers 3

Nieuw lied.

Steeds zijn nieuwe woorden van lof nodig.


Zendeling Jan Sjoerd Pasterkamp was eens in een samenkomst in Nieuw Guinea. Hij hoorde de inboorlingen een onbeschrijfelijk mooi lied zingen.

De voorganger Neewai en zijn vrouw Raakel waren in gebed geweest. Toen verscheen hun een engel. Die nam hen mee naar de hemel. Ze hoorden engelen in hun eigen stamtaal zingen. De engel leerde hun de woorden en de wijs van het lied en gaf de opdracht om het aan hun stam te leren.

Dit lied hoorde Jan Sjoerd. Het was echt onbeschrijfelijk mooi. Het was echt een nieuw lied met een hemelse schoonheid.



Vers 4

Redenen voor de lof.

Nu volgen redenen, waarom men God lof moet zingen.


Recht.

Oprecht, betrouwbaar.

God is gerechtigheid en recht. Zo is Zijn wezen. Dat is de grond voor Zijn betrouwbaarheid.

Ook psalm 100 noemt redenen om God te loven.



Vers 5

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 6

Door het Woord.

"Het Woord" = Jezus.

Jezus is dus ook Schepper.

Gods macht wordt bezongen.


Geest.

Legermacht.



Vers 7

Schatkamers.

De Tehom, oerwateren.



Vers 8

Vrezen.



Vers 9

Hij spreekt en het is er.

We zien dit bewaarheid in de schepping. Daarmee laat God Zijn grote macht zien.



Vers 10

De raad.

De plannen.

De plannen van de heidenen houden geen stand, maar Gods plan blijft bestaan.


Heidenvolken.

Goy.

Goyim zijn heidenen.


Volken.

Het Hebreeuwse "am" wijst op volken die een relatie hebben.

Hier waarschijnlijk een onderlinge relatie, tégen God.


De raad van de volken.

Er is een duidelijke tegenstelling met wat de volken willen en wat God wil.

Zijn raad zal bestaan.



Vers 12

Gods eigendom.

Israël is Gods persoonlijk eigendom.



Vers 13

God ziet.

De HEERE wordt geloofd omdat Hij alles ziet en weet.



Vers 17

Het paard geeft valse hoop.

God geeft de overwinning. Israël mocht geen paarden in de strijd gebruiken, maar moest op God vertrouwen.

Spreuken 21:31.



Vers 18

Gods macht.

Lof voor God om Zijn macht.


Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 20

Onze Hulp en ons Schild.

Deze God is onze God.

We stellen in alle omstandigheden ons vertrouwen op Hem



<