Aanvulling.
De Septuaginta voegt toe:
Tot de HEERE toevlucht nemen.
In vers 20 ziet David duidelijk dat voor hem en ieder die tot God de toevlucht neemt, een groot goed is weggelegd.
Er is een erfenis, die bij God bewaard wordt.
Gelovigen zijn erfgenamen van God.
God wil dat onze nakomelingen ook hun hoop op God zullen stellen. Daarin moeten we onze kinderen opvoeden.
Bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
Wij worden gered door Jezus, onze Gerechtigheid.
Vraag en zekerheid.
In vers 3 stelt David een vraag. In vers 4 weet hij dat God voor hem is wat hij vraagt.
In Uw hand beveel ik...
Dit is een avondgebed van Joodse kinderen. Het waren de laatste woorden van Jezus aan het kruis.
In 6b is er een wending: dankzegging in vertrouwen.
U hebt mij verlost.
Jezus laat dit stukje weg. Hij is zelf de Verlosser.
Ik haat of U haat?
Goedertierenheid.
=verbondstrouw.
Volgens Van Dale:
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid
Mijn ziel.
= Mijn persoon.
= Mij.
U hebt mij niet overgeleverd.
Toch is het gevaar niet weg. In het vervolg is er opnieuw gebed om verlossing.
Verlossing ligt nog in de toekomst, maar het dankgebed grijpt daarop in geloof vooruit.
Ik vertrouw op U.
In elke levensfase is het anders, dan hoog dan laag. In alle omstandigheden vertrouwt David op God.
Jij ook?
Mijn tijden.
David zet dit in het meervoud.
Het gaat om alle levensfasen die in Gods hand zijn.
Dat is ook onze troost.
In het graf.
In de "sheool " = dodenrijk.
Korach, Dathan en Abiram gingen levend naar "sheool", het dodenrijk.
De rechtvaardige.
Dat is David.
In mijn haast.
We kunnen wel eens te vlug een conclusie trekken.
God hoort, maar...op Zijn tijd.
Luide smeekbeden.
Een stil gebed is er niet bij.
De HEERE liefhebben.
Waarom moeten we de HEERE liefhebben?
Hij had ons eerst lief.
Hij hoort ons gebed.
Hij beschermt de gelovigen.