Hoofdstuk 28


Vers 1

Houd u niet doof.

David leeft in relatie met God.

David roept en hij verwacht ook antwoord.

Als God niet antwoordt, dan is de relatie er niet, dan zal David zich aan de doden gelijk achten.


Indeling van de Psalm.




Vers 2

Gebedshouding:

Bidden met opgeheven handen.

Binnenste heiligdom.

Dat is het Heilige der Heiligen volgens

Daar stond de ark en daar woonde God.

"De tent" die David maakte voor de ark, is waarschijnlijk een nieuwe tabernakel, een nieuwe tent der samenkomst. Daarin is immers een Heilige der Heiligen.

Zie informatie bij



Vers 3

Ruk mij niet weg.

De innerlijke motieven van de goddelozen zijn verkeerd. Ze huichelen. Laat de HEERE hen toch hun verdiende loon geven. (Vers 4)



Vers 4

Vergeld hun.

Jezus leert anders:

In het OT zag men uit naar vergelding nog tijdens hun leven.

In het NT moeten de gelovigen geduld hebben tot het eind van de tijd.

In de grote verdrukking, dat ís "de dag van de wraak" waarover Jesaja 61:2 spreekt, mogen de gelovigen wel om wraak bidden. We lezen dat in



Vers 5

Hij zal hen afbreken.

Hier wordt in de derde persoon over de HEERE gesproken. Waarschijnlijk is dit een antwoord op het gebed.



Vers 6

Geloofd zij de HEERE.

In vers 1 vraagt David om verhoring. Nu is die verhoring er en daarom looft hij God. Er is relatie tussen David en God.



Vers 7

Op Hem vertrouwd en door Hem geholpen.

Wie op de hoge God vertrouwt, heeft zeker niet op zand gebouwd.

In alles vertrouwde David op God, ook in zijn oorlogen. God hielp!

Zie vers 8.



Vers 8

Hun.

Dat zijn de mensen die op God vertrouwen.


De kracht achter de overwinningen.

Niet de grootte van het leger, niet de ruiterij of het aantal strijdwagens is de kracht achter de overwinningen, maar het is Gods hulp alleen.


Gezalfde.

= koning David.

Telkens opnieuw krijgt hij hulp van God. Vandaar meervoud: overwinningen, verlossingen.



Vers 9

Zegen Uw eigendom.

Wat de Heere aan David deed, dat bidt David ook voor het volk. Israël is Gods persoonlijk eigendom.



<