Hoofdstuk 26


Vers 1

Over de Psalm.



Vers 2

Beproef mij.

David deed recht en gerechtigheid.

Hij durft God in zijn hart te laten kijken.

Hoe is dat bij jou?

Job spreekt ook over zijn oprechtheid. God mag hem wegen. God mag in zijn hart kijken.



Vers 3

Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid

Uw waarheid.

Gods woord is de waarheid.

David leeft zoals God dat in Zijn woord voorschrijft.



Vers 4



Vers 5



Vers 6

"Handen wassen..."

= onschuldig zijn.

De context van het heiligdom wijst misschien ook op handen wassen voordat men heiligdom ingaat.

Ik ga rondom Uw altaar.

Het gaat hier om een feestelijke processie rondom het altaar. Dit kwam voor bij Loofhuttenfeest.



Vers 7

Lofprijzing.

Een heel belangrijk onderdeel van de godsdienst.



Vers 9

Neem mij niet weg.

Laat mij niet delen in het lot van de goddelozen.



Vers 11

Ik ben oprecht.

De getuigenis vd integriteit is hier een basis voor het gebed om verlossing en genadebetoning.

Een zuivere levenswandel is een voorwaarde om tot God te naderen.

De dichter heeft een zuiver geweten.



<