Hoofdstuk 6


Vers 1

Leerling-profeten.

Ze woonden in Jericho.



Vers 5

Ach, mijn heer.

Het werk in Gods koninkrijk staat stil.

Daarom past dit wonder hier.



Vers 6

IJzer ging drijven.

God maakte de wet van de zwaartekracht, maar God is niet aan de wet gebonden.



Vers 12

Wat u in uw slaapkamer spreekt.

Dat hadden de Syriërs al vaker gemerkt.



Vers 17

Elisa bad.

Elisa bad niet of de situatie zou veranderen.

Hij ging ook de realiteit van Gods bescherming niet uitleggen.

Hij bidt of God de ogen van de knecht de realiteit van Gods legermacht wil laten zien.

De situatie blijft, maar de angst verdwijnt.



Vers 18

Geslagen met blindheid.

Dat zelfde wonder gebeurde in Sodom toen Lot belaagd werd.



Vers 21

Mijn vader.

"Vader" is hier een gezagstitel omdat Elisa Gods woord spreekt.



Vers 23

Syriërs kwamen niet meer.

Benhadad had nu goed ontdekt dat Israëls God een almachtige God is.

En...deze God is onze God.



Vers 24

Daarna.

Er zijn ongeveer 8 jaren voorbij.



Vers 25

Kab duivenmest.

Er zijn er die vertalen:

Bonen van de johannesbroodboom.

Een arbeider moest er een maandloon voor betalen.


Een kab is vermoedelijk een halve liter.



Vers 28

Kannibalisme.

Deze vreselijke vorm van kannibalisme was voorzegd. Dat hoorde bij de vloek als Israël God niet bleef dienen.



Vers 31

Boos op Elisa.

Joram is niet boos op zichzelf of op zijn afgodische volk.

Hij is boos op Elisa.

Misschien had Elisa over verlossing gesproken, maar liet dat lang op zich wachten.



Vers 32

De moordenaarszoon.

Dat is Joram.

Hij was de zoon van Achab en Izebel. Zij waren de moordenaars van Naboth en van veel profeten van God.



Vers 33

Dit kwaad is van de HEERE.

God krijgt de schuld van de ellende.

Daarom moet de profeet van God het ontgelden en wordt hij met de dood bedreigd.



<