Hoofdstuk 4


Vers 1

Grote ellende.



Vers 4

Zet weg wat vol is.

Hierin zit Gods belofte.

De weduwe gelooft.



Vers 6

In onze tijd.

Dit wonder herhaalde zich met een waterfles op Thursday Island.

Ze gingen in bad, ze dronken, ze kookten en wasten. De fles bleef vol.

Jan Sjoerd Pasterkamp schrijft er over en heeft de fles zelf gezien.



Vers 7

Leerzaam voor ons.



Vers 19

Mijn hoofd.

Had hij een zonnesteek?



Vers 23

Geen sabbat.

Met de nieuwe maan of op de sabbat hield de profeet bijeenkomsten.

In die tijd reisde men dus wel op de sabbat.

Ze moest 10 km reizen.



Vers 29

Groet hem niet.

Iemand groeten kost daar veel tijd. Je moet naar de hele familie informeren.


Mijn staf.

Gehazi moest de staf van Elisa op de dode leggen opdat hij weer zou leven.

Er gebeurde niets.

Gehazi bad niet en dat deed Elisa later wel.



Vers 34

De kerkvaders.

De kerkvaders legden dit zo uit.

Christus zond Zijn knecht Mozes vooruit met de wet.

De wet kon echter de dode zondaren niet levend maken. Toen kwam Christus zelf. Hij verenigde Zich met ons lichaam en maakte ons levend.



Vers 35

Hij niesde.

Niezen is volgens volksgeloof een teken dat de geest terugkeert.



Vers 37

Ze boog zich.

Eerst dankt deze vrouw en pas daarna neemt ze haar zoon mee.



Vers 38

Gilgal.

Dit Gilgal lag in Efraïm.


Honger.

Die duurde 7 jaren.



Vers 39

Een wilde slingerplant . Letterlijk: een wijnstok van een veld.

Het is waarschijnlijk Citrullus colycinthis. De plant kruipt over de grond

De vrucht is zo groot als een sinaasappel en heeft een gele schil en een bittere smaak.



<