Hoofdstuk 23


Vers 1

Wanneer?

Josia was ongeveer 26 jaar.

Dit was het 18e jaar van zijn regering.



Vers 2

Boek van het verbond.

Dat was het wetboek van Mozes.

Dat verbond was op Sinaï gesloten en werd nu vernieuwd.

Het volk deed mee volgens vers 3.



Vers 4

Asjera.

Manasse zette dit beeld in het Heilige van de tempel.



Vers 5

Afgodspriesters.

Waarschijnlijk mensen die niet uit de lijn van Aäron waren. Misschien waren er ook echte priesters die toch niet in Gods weg gingen. God wilde dat alléén in Jeruzalem geofferd zou worden.



Vers 7

Schandknapen.

Tempelprostitutie ter ere van Astarte. Homofilie in bijgebouwen van de tempel van God.



Vers 8

In de poort.

Bij de poort was het handelsgebied.

Bij de poort werd recht gesproken.

Bij de poort werden afspraken gemaakt.

Helaas waren er bij de poorten ook afgodische offerhoogten.



Vers 9

De priesters.

Josia is hier minder streng dan in vers 20.

Mogelijk zijn de priesters in vers 9 uit Levi.



Vers 10

Tofet.

= plaats van afschuw.


Daar werden kinderoffers gebracht aan Molech.



Vers 11

Paarden en wagens voor de zon.

Met deze paarden en wagens reed men 's morgens de "goddelijke" zon tegemoet.

Onder Manasse en Amon deed men dat ook al.


Nathan-Melech.

Een dienaar van de koning. Een zegel van deze man is door archeologen gevonden.

(RD 3-4-2019)



Vers 12

Koningen van Juda.

Ze bouwden altaren voor de verering van hemellichamen.

Altaren in de voorhoven.

Manasse heeft na zijn bekering déze altaren niet verwijderd.

Er was wel een reformatie, maar lang niet zo grondig als Josia deed.



Vers 13

Berg van het verderf.

Har-Masjchit.

Dit is de zuidpunt van de bergrug van de Olijfberg.

Het "verderf" kwam onder Salomo.

Hij bouwde daar afgodstempels voor zijn vrouwen.

Eerder heette deze berg: Har-Misjcha.

Dat betekent:



Vers 14

Gewijde palen.



Vers 15

Bethel.

Josia gaat zelfs naar het gebied waar voorheen het 10 stammenrijk was.



Vers 16

Beenderen verbranden.

De profeet uit Juda had dit 345 jaar geleden voorzegd.

Deze profeet noemde zelfs de naam van Josia.



Vers 18

Profeet uit Samaria.



Vers 20

Priesters afgeslacht.

Dit is veel strenger dan in vers 9.

Hier gaat het waarschijnlijk niet om Levitische priesters.



Vers 22

Pascha gevierd.

Pascha werd wel gevierd in het verleden.

Toch blijft het een feit dat het Pascha erg veronachtzaamd was.

Het werd dan niet breed, als volk, gevierd. Dat gebeurde nu bij Josia wel.

Als dit voor Pascha al gold, dan gold het waarschijnlijk ook voor de andere feesten van God.



Vers 23

In Jeruzalem.

Dat was de enige plaats waar het paaslam geslacht mocht worden.

Ook óns Paaslam Jezus stierf in Jeruzalem, precies op de juiste dag, 14 Abib, 14 Nisan.

Zo vervult Jezus Gods feesten.



Vers 25

Géén koning aan hem gelijk.

Van Hizkia wordt hetzelfde gezegd.

Maar... van Josia wordt gezegd dat hij wandelde als David.



Vers 26

God bleef toornig.

Het volk bekeerde zich niet oprecht.

Na de dood van Josia was het al snel weer een afgodisch volk.



Vers 29

Josia sneuvelt.

In 2 Koningen 22:20 belooft God dat Josia in vrede zal sterven.

Toch sneuvelt hij.

Was Josia ongehoorzaam geweest? Hij luisterde niet naar de woorden van farao Necho die ze sprak op gezag van God (=elohim). Necho gebruikt niet de Naam HEERE. Had de HEERE wel écht tegen hem gesproken? Dat kan wel, want God sprak ook in een droom tegen Abimelech.

Josia had God moeten vragen wat hij moest doen.

Op gezag van God.

Sprak God via Necho die een heiden was?

Of had Necho zijn eigen oppergod geraadpleegd?

Hoe kon Josia dat weten?


God houdt rekening met ons handelen.

  1. Als Ninevé zich bekeert, dan voert God de door Jona aangekondigde straf niet uit.
  2. God belooft in 2 Koningen 22:20 dat Josia in vrede zal sterven. Nu vraagt Josia de wil van God niet. Nu is Josia ongehoorzaam (?) en dan laat God hem niet in vrede sterven.
  3. Het hogepriesterschap zal, door de zonden van Eli, Hofni en Pinehas, niet langer verder gaan in de lijn van Eli, hoewel Hij dat wel beloofd had.


Naar de koning van Assyrië .

De vader van Nebukadnezar versloeg Assyrië en wil ook de macht van Egypte beknotten.

In 609 v C sneuvelt Josia als Necho zijn positie bij Karchemish wil gaan versterken.

In 605 v C wordt Necho door Nebukadnezar bij Karchemish verslagen.

Op Assyrische kleitabletten staat dat Egypte door de Assyriërs te hulp was geroepen om tegen Medië-Babel te vechten. (Keller 273)

De afloop van deze strijd staat in



Vers 30

Joahaz.



Vers 31

Josia was 16 jaar toen Joahaz werd geboren.

Hij was ws niet de oudste zoon, want Eljakim (=Jojakim) is 25 als hij Joahaz van 23 opvolgt. 2 Koningen 23:36

Josia was dus 14 jaar toen Eljakim werd geboren.



Vers 32

Zijn vaderen.



Vers 33

Hizkia betaalde aan Sanherib 30 talenten goud. Dat was veel meer.



Vers 34

Eljakim.

Dat is Jojakim.

Deze naamsverandering en benoeming liet de Joden voelen dat deze koning afhankelijk was van farao.



<