Hoofdstuk 21


Vers 3

Goddeloosheid van Manasse.

Hij bevorderde het occulte, de satansdienst.


Offerhoogten.

Vaak waren deze offerhoogten voor afgoden.



Vers 4

Altaren in de tempel.

Dat waren altaren voor de verering van de hemellichamen.

Pas Koning Josia breekt ze weer af.


Welke afgoderij was er in Gods tempel?

Koning Josia houdt opruiming.

Vers 6: Asjera.

Vers 7: schandknapen.

Vers 7: weverij voor Asjera.

Vers 11: paarden en wagens voor de zon.


Rondom Jeruzalem.

Vers 10: Molech.

Vers 13: Astarte, Kamos, Milkom.

Vers 14: gewijde stenen en gewijde palen.

Vers 24: occultisten, waarzeggers, terafim.



Vers 7

Asjera in de tempel.

Manasse zet dit afgodsbeeld in het Heilige, dus vlakbij de ark van God.

Josia verwijdert het.



Vers 9

Erger dan de heidenen.

De KanaƤnieten moesten, in de tijd van Jozua, het land van God uit vanwege hun afgoderij.

Nu is Juda erger dan die heidenen. Daarom moeten ook zij het Heilige Land uit.



Vers 13

Meetlint van Samaria.

Het 10-stammenrijk is reeds door de Assyriƫrs weggevoerd. Met dezelfde maat zal Juda de zonden uitgemeten krijgen.


Ondersteboven.

Dat doen we om het laatste ergens uit te verwijderen.

Zo zal het ook met Juda gaan.



Vers 16

Veel onschuldig bloed.

De ongewijde geschiedenis zegt dat Manasse ook de profeet Jesaja in stukken liet zagen.



Vers 18

Tuin van Uzza.

Daar werd later ook zijn zoon Amon begraven.



Vers 26

Tuin van Uzza.

Hij werd begraven bij zijn vader Manasse.



<