Hoofdstuk 17


Vers 1

Hosea wordt koning.

Uit een Assyrisch gedenkteken blijkt dat Tiglat-Pileser Hosea als koning aanstelde.


De tijd?

Zie aantekeningen bij

Daar staat: 20e jaar van Jotham.



Vers 2

Niet zoals de vorige koningen.

Toen Hizkia het paasfeest wilde vieren en ook de 10 stammen uitnodigde, mochten deze burgers ongehinderd gaan van Hosea.

Anderen menen dat dit paasfeest pas was ná Hosea.



Vers 6

Weggevoerd.

Spijkerschriftteksten vertellen dat Sargon II 27.290 Joden wegvoerde.

Er waren nog mensen over.

Sargon II was de opvolger van Salmanassar.



Vers 7

Wegvoering was voorzegd.

  1. Door Mozes. Deuteronomium 28:63-66.
  2. Door Ahia. 1 Koningen 14:15-16.
  3. Door Hosea. Hosea 1:6.



Vers 9

Offerhoogten.

Vaak waren deze offerhoogten voor afgoden.



Vers 16

Het leger aan de hemel.



Vers 17

Israël deed wat God verbood.



Vers 25

Dat zij daar woonden.

Het gaat om heidenvolken die door de Assyriërs naar Gods land worden gebracht.

De heidenen wonen wel in Gods land, maar ze dienen God niet.

God straft hen, net zoals Israël gestraft is.



Vers 28

Hij leerde hen hoe ze God moesten dienen.

De heidenen krijgen onderwijs over God en hoe God gediend wil zijn.

Nu gaan de heidenen naast hun eigen afgoden ook God dienen.

Uit vermenging van Joden en heidenen ontstonden de Samaritanen.

Omdat die polytheïsten waren, mochten ze later niet helpen met de bouw vd tempel in Jeruzalem.


De goden vd Samaritanen.

Ze dienen God als een kalf. Zo past God in het rijtje vd afgoden.

Nibhaz is een hond.

Tartak is een ezel.

Asima is een bok. Enz.



Vers 32

Offerhoogten.

Vaak waren deze offerhoogten voor afgoden.



<