Hoofdstuk 16


Vers 2

Achaz was 20 jaar oud.

Hij stierf toen hij 36 jaar was. Toen was zijn zoon Hizkia al 25 jaar volgens



Vers 3

Door het vuur gaan.

Hij ging doen zoals de Kanaänieten deden. Ze offerden kinderen van 3-12 maanden.



Vers 5

Ze belegerden Achaz.

Toen deed Jesaja de bekende profetie.



Vers 8



Vers 10

Een nieuw altaar.

In een afgodstempel zag Achaz een beroemd, maar afgodisch brandofferaltaar. Hij laat het namaken en in de tempel te Jeruzalem plaatsen.

Hij denkt nu dat de " machtige" god van de Syriërs ook zijn god zal zijn.

Dan wordt waarschijnlijk vervuld wat Jesaja zei: er wordt een kind geboren met de naam Immanuël, god (de Syrische afgod) is met ons.


Immanuël.

Immanuël is niet de naam van Jezus. Maria noemde Hem zo niet.

In Mattheus 1:23 staat: Zij zullen ( of men zal) roepen :God is met ons.

Men zegt dat van Jezus.



Vers 14

Brandofferaltaar.

Het altaar van Salomo wordt verplaatst en niet meer gebruikt.



Vers 15

Om te onderzoeken.

Achaz legt beslag op het altaar van Salomo. Hij wil er over nadenken wat hij ermee gaat doen.



Vers 17

Koperen runderen.

Het grote wasvat van Salomo wordt gesloopt.

De 12 runderen gaan eronder vandaan.

Toch waren ze er nog toen Nebukadnezar Jeruzalem innam.



Vers 18

Galerij vd sabbat.

Een overdekte plaats voor de koning als hij op de sabbat in de tempel was.


Vanwege de koning van Assyrië.

De Assyrische koning mocht de opgang naar de tempel en de koningsstoel niet zien. Het moest duidelijk zijn dat Achaz JHWH niet diende.



<