Hoofdstuk 9


Vers 5

Eeuwig koningschap.

Het was al aan David beloofd.

Dit wordt tegen Maria opnieuw gezegd door de engel Gabriël.

Eeuwig priesterschap verbonden met eeuwig koningschap.



Vers 6

Meer bedreiging.

Vergeleken met de 1e verschijning, in Gibeon, gaat God bij deze 2e verschijning méér bedreigingen uitspreken.



Vers 7

Israël uitroeien uit het land.

Die bedreiging staat ook al in



Vers 8

Waarom heeft de HEERE zo gedaan?

De heidenen stellen vragen: waarom?

Zo wordt Gods Naam door Israël ontheiligd. Vreselijk.

God Zelf belooft het om Zijn Naam te heiligen en Israël terug te brengen.

En.. wij zien dit vervuld worden. Waakt dan!



Vers 11

20 steden in Galilea.

Hier woonden vnl. heidenen. Dat gebied was ook niet in beste toestand.



Vers 13

Kabul.

Kebal = zo goed als niets.

Het was dus een gebied van niks.



Vers 14

Aan Hiram stuurde de koning Salomo 120 talenten goud.



Vers 15

De Millo.

De koningsburcht.


Megiddo.

Salomo verdreef daar de Kanaänieten.



Vers 16

Gezer.

Dit was eigenlijk één van de zes vrijsteden. Pas onder Salomo wordt Gezer een stad van Israël.



Vers 19

Op de Libanon.

Eén van de forten die Salomo bouwde was de "Toren van de Libanon". Die ligt dichtbij Damaskus.



Vers 21

In herendienst werken.

Deze volken moesten eigenlijk uitgeroeid worden. Anders zouden ze Israël tot afgoderij brengen.

Salomo roeit ze niet uit, maar hij komt wel tot afgoderij.



Vers 26

Eloth.

Eilath ligt aan de Golf van Akaba. Die wordt hier Schelfzee genoemd. Dat is het water waar Israël droog doortrok en farao met zijn leger verdronk.

Ezeon-Geber.

Deze plaats heet tegenwoordig Akaba. De jachthaven van Akaba heet nog steeds Ezeon-Geber.



Vers 28

Ofir.

De reis duurde 3 jaren.

Ofir lag waarschijnlijk in Amerika.

Anderen denken aan India of Jemen of ergens in Afrika.



<