Hoofdstuk 8


Vers 1

Meteg-Amma.

=breidel vd moeder.

Dwz. David nam de belangrijkste stad in nl. Gath

Groot keerpunt in de geschiedenis. Aan een worsteling van eeuwen komt een eind. De Filistijnen zijn nu onderworpen.



Vers 2

David mat met een snoer.

⅔ van de krijgsgevangenen werd gedood.

De Moabieten bleven onderworpen tot na Achab.

Daarna stonden ze weer op en werden nooit meer onderworpen.


Schatting afdragen.



Vers 3

Hadadezer.

= Hadad is tot hulp.

Hadad was een afgod.



Vers 4

Wagens.

Dat woord staat hier niet in de grondtekst. Het staat wel in 1 Kronieken 18:4.


700 ruiters.

In 1 Kronieken 18:4 staat 7000 ruiters. Dat is een betere verhouding met het voetvolk.



Vers 5

Syriërs.

Ze heten ook Arameeërs.

Ze stammen af van de 5e zoon van Sem: Aram.



Vers 6

Damascus.

Daar had Rezon de macht. Hij was later een tegenstander van Salomo.



Vers 8

Berothai.

Een ertsrijke streek tussen Damascus en Hamath.



Vers 13

Syriërs?

In de Septuaginta staat in 1 Kronieken 18:12 Edomieten. Dat is waarschijnlijk beter, want het Zoutdal = Wadi Arabah, van de Dode Zee tot Eilath.

Ook vers 14 schrijft over Edomieten.

Terwijl David hoog in het noorden tegen de Syriërs streed, vielen de Edomieten in het zuiden aan.

Joab verslaat ze.

Joabs vergelding staat in



Vers 16

Zeruja.

Zeruja was een stiefzus van David.

De vrouw van Isaï had als weduwe van Nahas 2 dochters:


  1. Zeruja : Joab, Abisaï en Asahel.
  2. Abigaïl : Amasa. Dat is later de generaal van Absalom.

Joab was dus een oom-zegger.

Josafat.

Hij was kanselier van David en later ook van Salomo.

Hij hield de kronieken bij. Hij bracht over elke belangrijke zaak persoonlijk verslag uit aan de koning.

Een kanselier kan ook de koning vertegenwoordigen.



Vers 17

Schrijver.

Dat wordt onder Salomo het belangrijkste ambt.

Contacten met binnen- en buitenland.



Vers 18

Benaja, zoon van Jojada.

Jojada is hoofdpriester.

Krethi en Plethi.

Na de Dorische volksverhuizing zochten de Kariërs (Krethi) en de Pelasgen , de latere Filistijnen, (Plethi) een goed heenkomen in Kanaän.

Ze namen de Kretenzische en Myceense beschaving mee.

De Krethi en de Plethi vormden de lijfwacht.


staatsdienaren - Hebreeuws: priesters.



<