Hoofdstuk 3


Vers 1

Langdurige strijd.

Maximaal 2 jaren.



Vers 2

Oosterse vorst.

David gedraagt zich als een oosterse vorst.

Hij heeft veel vrouwen, minstens 6.

In Jeruzalem nam hij nog meer vrouwen.

Uit Jizreël.

Dat is waarschijnlijk Jizreël in Juda.



Vers 3

Chileab.

In 1 Kronieken 3:1 heet hij Daniël.



Vers 4

Adonia.

JHWH is Heerser.


Sefatja.

JHWH is Rechter.



Vers 5

Jithream.

=Overvloed is mijn verwant.



Vers 7

Rizpa.

=kooltje vuur.

Wie de vrouwen van de vorige koning had, was eigenlijk de opvolger.



Vers 8

Hondenkop.

De residentie van David was Hebron.

Hebron was de stad van Kaleb.

Kaleb = hond.

"Hond" was dus een scheldwoord voor partijganger van David.

Abner bedoelt: "Zie je me aan voor een overloper?"



Vers 11

Bang.

Abner had feitelijk de macht.



Vers 12

Abner stuurt boden.

Abner vindt nu een voorwendsel in zijn persoonlijk gekrenkt zijn mbt Rizpa.



Vers 15

Michal.

Isboseth erkent David ook als wettige schoonzoon van koning Saul.

David had op die manier ook aanspraken op de troon.



Vers 18

De HEERE heeft gesproken.

Dat deed God door profeten. Het was onder het volk bekend geworden.

  1. Samuël.
  2. Gad.



Vers 20

20 mannen.

Vertegenwoordigers van de stammen.



Vers 21

Abner ging in vrede.

Aan de latere moord op Abner had David géén schuld.



Vers 27

Moord of bloedwraak?

Asahel, de broer van Joab, sneuvelde in de strijd.

Daarvoor gold geen bloedwraak. Wat Joab hier doet is moord.

Joab laadt bloedschuld op zich.



Vers 29

Vloek.

David spreekt een vloek uit over Joab.



Vers 39

Ik ben heden zwak.

David is beginnend koning. Hij beklaagt zich over eigen onmacht. Joab was familie van David, broer van Abisaï

Eigenlijk had David Joab direct moeten straffen, maar David meende dat hij Joabs krijgsmanskunst niet kon missen. Ook Abisaï was één van de helden en een belangrijk legeraanvoerder.



<