Hoofdstuk 2


Vers 1

Leger van God.

Vele Joden voegden zich bij David.

Zijn leger wordt groot als een leger van God.

Hebron.

De hoogste stad, 900 m boven NAP.

David had een goede relatie met Hebron.



Vers 3

De mannen van David.

Het waren méér dan 2000 mensen.

600 mannen, 600 vrouwen en de kinderen vd gezinnen.



Vers 4

David gezalfd.

  1. Door Samuël in Bethlehem.
  2. Door de stam van Juda in Hebron.
  3. 7 Jaar later door heel Israël in Hebron. 2 Samuel 5:3.



Vers 8

Mahanaïm.

Een sterke vesting bij de Jabbok.


Isboseth 40 jaar?

In 1 Samuel 14:49 wordt Isboseth niet genoemd onder de kinderen van Saul. Hij streed ook niet mee op Gilboa.

Hij was waarschijnlijk nog jong.

David werd op zijn 30e jaar koning.

Isboseth was waarschijnlijk jonger dan David. Jonathan was de oudste prins. Toch staat in vers 10 dat Isboseth 40 jaar was. Saul regeerde 20 jaar of 40 jaar.

Of... wil 40 jaar alleen zeggen dat Isboseth nu een volwassen man was?



Vers 9

Heel Israël.

Dat is slechts aanmatiging, want Juda had David koning gemaakt.



Vers 10

Isboseth regeerde 2 jaar.

David regeerde, na de dood van Saul, 7½ jaar in Hebron.

Isboseth regeert 2 jaar.

Mogelijk heeft Abner in het geheim in Mahanaïm een staatje gegrondvest. En pas ná 5 jaar besluit hij om Isboseth officieel koning te maken.



Vers 13

Vijver te Gibeon.

Daar streden later ook Johanan en Ismaël.

Joab komt nu op gebied van Benjamin.

Er zijn eigenlijk 2 vijvers, door mensen gegraven. De ene is rechthoekig, 12m x 18m. De andere is 10m in doorsnee en 20m diep. Het zijn waterreservoirs.

Andere vijvers:

In Samaria.

In Jeruzalem.

Zeruja.

Zeruja was een stiefzus van David.

De vrouw van Isaï had als weduwe van Nahas 2 dochters:

  1. Zeruja : Joab, Abisaï en Asahel.
  2. Abigaïl : Amasa. Dat is later de generaal van Absalom.

Joab was dus een oom-zegger.



Vers 18

Asahel .

Asahel wordt genoemd onder de helden van David.

Zo ook Abisaï, zijn broer.



Vers 23

Achtereind vd spies.

Het achtereind had ook een punt om de speer in de grond te steken.



<