Hoofdstuk 26


Vers 1

Vorige hongersnood.

Vgl. Genesis 20:1.


Abimelech.

Dat is de titel van een Filistijnse vorst.

Zoals:

Gerar.

Ten zuiden van Gaza.



Vers 2

God verscheen aan Izak.

Hier de eerste keer.

De tweede keer verscheen God in



Vers 3

Gods zegen.

Izak krijgt nu dezelfde zegen als Abraham.

De landbelofte.



Vers 4

De zegen van Abraham.

Abraham kreeg deze belofte in



Vers 5

Abraham hield Gods wetten.

Al lang voordat de Mozaïsche wet er was, gehoorzaamde Abraham de geboden van God.

Die waren er dus al.

Daarom ging de zegen ook over op Izak.

Als wij leven zoals Abraham zal dat ook tot zegen voor ónze kinderen zijn.


En de sabbat?

Sommigen zeggen: “Als Abraham Gods inzettingen en wetten hield, dan kan de sabbat daarbij hebben gehoord.”

Maar...dat wordt niet expliciet gezegd.



Vers 7

Herhaling.

In Genesis 12:13 en in Genesis 20:2 lezen we precies zo'n geschiedenis bij Abraham. De laatste ook in Gerar.



Vers 10

De koning zelf dacht er waarschijnlijk niet aan om Rebekka te nemen.

Of... was het nog dezelfde Abimelech die dit met Abraham ook had meegemaakt?

Dat is niet erg waarschijnlijk, want dat was al ruim 40 jaar geleden gebeurd.



Vers 12

Honderdvoudige.

Grote oogst door Gods zegen. De Filistijnen zullen er zeker van meegeprofiteerd hebben. Zo is een kind van God een zegen voor de omgeving.



Vers 15

Waterputten dichtgooien.

Vijandschap ontstaat na jaloersheid. Abraham was waarschijnlijk een krachtiger persoon dan Izak.

Abraham diende Abimelech van repliek toen men zijn putten afnam.



Vers 16

Veel machtiger.

Het argument van Abimelech wordt later ook door farao gebruikt.

Hier ligt al een begin van antisemitisme.

Het is de langdurigste haat van deze wereld. Geen ander vooroordeel hield het zolang vol.

De haat richt zich op

Het is heel irrationeel.



Vers 18

Dezelfde namen.

Daarmee wil Izak aangeven dat hij de rechtmatige eigenaar is.


Haat en schade.

De Filistijnen dempten de putten tot hun eigen schade.

Ook later in Egypte treft de haat meer de hater dan de gehate.



Vers 19

Uit welke bron put jij?

Satan probeert altijd je bron onbereikbaar te maken.



Vers 20

5 bronnen.



Vers 23

Berseba.

Izak trok nog verder naar het zuiden.

Later werd hier een tempel gebouwd en werden de aartsvaders vereerd.



Vers 24

God zegent omwille van Abraham. Dat staat ook in vs 5.


2e verschijning

De 1e verschijning staat in Genesis 26:2



Vers 25

Groeven een put.

Was hier ook weer tegenstand?

Abraham had daar ook een put gegraven.



Vers 26

3 titels

  1. Abimelech = koningstitel.
  2. Ahuzzat = raadgever
  3. Pichol = titel voor krijgsoverste.

Gods gunst voor Izak.

De vijanden komen vrede sluiten.



Vers 28

God is met u.

Nadat ze Izak wegstuurden, hebben ze mogelijk ook gemerkt dat ze minder gezegend werden.



Vers 29

Wij hebben u goed behandeld

??? Denk eens aan het

Gezegende des Heeren

Vroeger was Abraham dat, maar is Izak het.



Vers 33

Berseba.

Tot op vandaag zijn er 2 putten.

Seba:

= eed of zeven.

Berseba = put van de eed of put van zeven.


"Zeven" herinnert aan de zeven ooilammeren die Abraham gaf als bewijs dat hij de put had gegraven.



Vers 34

Basmath.

Er worden vier vrouwen van Ezau genoemd.

In Genesis 36:2-3 is ene Ada, de dochter van Elon. Daar is Basmath de dochter van Ismaël.

Misschien moet er in onze tekst achter Basmath het woordje "en" staan of "en Ada".

In het boek van de oprechten 29:12 noemt Ezau zijn vrouw Basmath met de naam Ada.

Daarmee zei hij dat in die tijd de zegen aan hem voorbij ging.



Vers 35

Bittere kwelling.



<