Hoofdstuk 12


Vers 1

Abrahams geloof.

  1. In deze tekst blijkt het geloof uit zijn gehoorzaamheid. Vgl. Romeinen 6:17 en Johannes 3:36.
  2. Later blijkt het geloof uit zijn vertrouwen op Gods belofte. Hij zal een zoon krijgen.
  3. Zijn geloof blijkt uit Zijn grote liefde voor God. Als hij Izak moet offeren, blijkt dat hij God meer liefheeft dan zichzelf of Sara of Izak. Mattheus 10:37.
  4. Het geloof blijkt uit zijn vertrouwen dat God Izak uit de dood zal opwekken, want Gods woord zal uitkomen. Hebreeen 11:18.
  5. Het geloof blijkt uit zijn uitzien naar de stad die fundamenten heeft. Hebreeen 11:10.

Mesopotamië of Syrië?

Psalm 60:2.


Waar woonde Abraham?

Abraham woonde aan de bovenloop van de Eufraat, op de grens van Syrië (=Mesopothamië) en Turkije.

Jozua 24:2 zegt: "aan de overkant van de Eufraat", aan de noordkant.

Daar liggen 5 ruïnes, van 5 steden.

Josephus en Mainonides plaatsen Ur in de omgeving van Turkije.


De ruïne van Ur in Sinear wordt heel vaak aangewezen als de geboortegrond van Abram.

Maar...Ur in Sinear ligt aan deze kant, de westkant, van de Eufraat. Dat klopt niet met Jozua 24:2.

Die tekst spreekt over de overkant van de rivier.


Terah.

Volgens het "boek van de oprechten" was Terah een vooraanstaand generaal van Nimrod. Hij diende de afgoden.

Terah mocht van God niet mee naar het land Kanaän. Hij stierf in Haran.


Ga uit uw land.

Dit bevel is tegelijk een beproeving van het geloof van Abram.

Heeft hij God meer lief dan zijn familie en geboortegrond?

God gaf dit bevel al in Ur.

Nu is Abram in Haran waar Terah stierf. Mogelijk krijgt hij hier opnieuw het bevel om weg te trekken.


Dat Ik u wijzen zal.

God heeft het niet over een land dat Ik u géven zal, hoewel het wel genoemd wordt als reisdoel in

Het is een onbekend (?) land. Abram moet God vertrouwen en gehoorzamen op Gods leiding.

Zo moeten ook wij leven in voortdurende afhankelijkheid van Gods leiding.

Maar... Abraham had wel een einddoel gezien.

De God van de heerlijkheid was hem verschenen. Die heerlijkheid was zijn doel.

Abraham verheugde zich erop dat hij Zijn dag zou zien.

Wat laat Abram zien?

De afgoden waren plaatselijk. Ze hoorden bij een land. Abram laat zien, dat zijn God niet aan een plaats gebonden is.


God bestaat.

Abram leefde in de buurt waar de ark van Noach op het Ararat-gebergte lag. Abram wist van een almachtige God.



Vers 2

God zegent.

God gebiedt niet alleen, Hij geeft ook beloften.

In de verzen 2+3 staan Gods onvoorwaardelijke beloften.


Uw naam groot maken.

Abraham blijft in herinnering bij Joden, moslims en christenen.


God belooft.

De belofte herhaald.

God kiest.

U zult tot een zegen zijn.

De Joden maken 0,2% van de wereldbevolking uit, terwijl 22% van de Nobelprijswinnaars Jood is.

De meest invloedrijke Jood is Jezus.



Vers 3

Ik zal zegenen.

Zegenen =

We lezen dat bv in Mattheus 25:40-41 "als u dat één van Mijn minste broeders hebt gedaan, dan deed u dat aan Mij". Die mensen worden gezegend.

Door Jezus' bloed komt de zegen van God naar Israël en heidenen.

God gaf het evangelie aan Abraham.

Wie u vervloekt (= oalal.)

Zal Ik vervloeken (= arar.)

Arar = verdoemen.


Er staan in deze tekst dus 2 verschillende woorden voor vervloeken. (Oalal en arar) De vervloeking van God (arar) is veel erger dan de vervloeking door mensen.(oalal)


Voorbeeld:

  1. Egypte werd door God zwaar gestraft, omdat ze de Israëlieten tot slaven maakten en zeker niet zegenden.
  2. Babel werd gestraft, omdat ze Israël slechter hadden behandeld dan God had gewild. Ook zij zegenden Israël niet.



Vers 4

Wat was het geloof van Abram?

Lot mag mee. Hij was een rechtvaardige.



Vers 5

Familie trouwt met familie.



Vers 6

Eik van More.

More = waarzegger.


Deze tekst spreekt over één grote boom.

Richteren 9:37 geeft de boom een naam: Waarzeggerseik.

Juist op die occulte plek komt Gods altaar, nadat God aan Abram was verschenen.



Vers 7

De HEERE verscheen.

Abram zag God niet. Letterlijk staat er:

God blijkt de God van Kanaän te zijn. Het is Gods land.

De bouw van een altaar.

Door de bouw van dit altaar claimt Abraham deze grond voor God.

Altaar en grond horen bij elkaar.

Na de intocht onder Jozua.

In Jozua 24:1 lezen we dat Jozua en de volksvertegenwoordigers op deze zelfde plaats in Sichem vergaderden, nadat God aan Israël het beloofde land had gegeven en Zijn belofte aan Abram had vervuld.


Landbelofte.

Weg uit het land.

De Kanaänieten werden om hun zonden uit het heilige land verdreven.

Als Israël dezelfde weg zou gaan als de Kanaänieten, dan zou ook Israël het land moeten verlaten. Dat is helaas ook gebeurd.

Maar... God houdt Zijn belofte. Israël is terug en straks zal heel Israël de HEERE dienen.



Vers 8

Bethel.

In Abrams tijd heette Bethel nog Luz.

Luz is de stad.

Bethel is het heiligdom.

Jozua 16:2 noemt beide.


Bijzondere plek.

Abraham zette zijn tent tussen Bethel en Ai. Vanaf dat punt kon hij de berg Moria = Sion zien. Jeruzalem dus.

Genesis 22:8.



Vers 9

Zuiderland.

De Negev-woestijn.



Vers 10

Abram naar Egypte.

In deze tekst staat voor het eerst de naam Egypte.

Israël zou 400 jaar verdrukt worden in Egypte.

Die 400 jaren worden vanaf dit moment geteld dat Abram naar Egypte gaat.

Vanaf Jakobs reis naar Egypte zijn het 215 jaren tot de uittocht.



Vers 11

Saraï, een heel knappe vrouw.

Saraï was toen al ongeveer 70 jaar.



Vers 13

Broer - zus huwelijk.

Saraï was de halfzus van Abram.

Zulke huwelijken waren later verboden.

Dat het mij goed zal gaan.

Het draait hier erg om het welzijn van Abram.

Echte liefde offert zichzelf op. Dat zien we hier niet.

Abram offert Saraï op en offert eigenlijk ook zo de belofte van een kind op.


Afwezige God.

In dit gedeelte wordt God niet genoemd en Abram zoekt zijn heil nu ook niet bij God. Iets kan goed voelen, maar kan toch zónder God zijn. Ga niet te rade bij vlees en bloed.



Vers 16

Abram kreeg slavinnen.

Eén vd slavinnen was Hagar .


Kamelen.

Het woord gml kan zowel kameel als dromedaris betekenen.

De kameel werd eerder gedomesticeerd.

Volgens Prof. Martin Heide werden kamelen al vóór Abrams tijd gefokt in Oezbekistan. Ze maken deel uit van karavanen.

De Egyptoloog Achmed Saber gaat er vanuit dat al vanaf 2500 v Christus kamelen als lastdieren voorkwamen.



Vers 18

Waarom?

Farao stelt waarom-vragen. Abram geeft geen antwoorden. Wie zwijgt, stemt toe.

Abram belijdt helaas geen schuld.

Abram herhaalt deze leugen met Saraï opnieuw bij Abimelech. Hij heeft niets van zijn fouten geleerd.



<