Hoofdstuk 4


Vers 1

In de poort.

Bij de poort was het handelsgebied.

Bij de poort werd recht gesproken.

Bij de poort werden afspraken gemaakt.

Helaas waren er bij de poorten ook afgodische offerhoogten.



Vers 3

Naomi verkocht land.

Vanwege armoede verkocht Naomi de opbrengst van het land tot aan het jubeljaar.



Vers 4

Ik zal het lossen.

Een positieve reactie.

Misschien denkt hij wel het land in het jubeljaar te kunnen houden, omdat er toch geen erfgenaam is.



Vers 7

Schoen uit.

Zo droeg de man zijn recht over op Boaz.

Sandaalverbond.

Het is eeuwigdurend.

Deuteronomium 19:14.



Vers 8

Hij trok zijn schoen uit.

In Deuteronomium 25:9 staat dat de vrouw die schoen van zijn voet haalt. Ze spuugt ook in zijn gezicht. Waarschijnlijk deed Ruth dat laatste niet, omdat ze blij was dat deze losser weigerde.

Het uitdoen vd schoen betekent dat men afstand doet van alle rechten.



Vers 9

Boaz huwt Ruth.

Boaz was geen zwager van Ruth. Dit huwelijk was dus ook géén leviraatshuwelijk.

Daarom is Obed ook niet Machlons zoon.


Leviraatshuwelijk.

Deuteronomium 25:5-12.



Vers 10

Ruth.

Opeens staan hier vóór de naam Ruth twee letters: alef en tav.

Dat zijn de eerste en de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Dit wordt eigenlijk nooit vertaald, maar staat wel in de grondtekst.

Ruth heeft hier het merkteken van haar Verlosser, De Eerste en de Laatste.

Dit komt meer dan 7000x voor in de bijbel.



Vers 12

Veel overeenkomsten tussen Ruth en Tamar.

Tamar is de schoondochter van Juda. Bij haar verwekt Juda een tweeling.

  1. Beiden zijn geen jodinnen.
  2. Beiden worden weduwe.
  3. Beiden zijn zeer loyaal aan hun overleden man om zijn geslachtslijn voort te zetten.
  4. Beiden zijn trouw aan de schoonfamilie. Tamar maakt Juda niet te schande.
  5. Beiden vertonen stoutmoedig gedrag.
  6. Bij beiden gaat het om een uitgebreide vorm van leviraatshuwelijk. Zowel Boaz als Juda waren niet de eerst aangewezenen.
  7. Beiden ontvangen grote eer van de mannen. Genesis 38:12 en Ruth 3:10.
  8. Beiden zijn moeders in het geslacht van David.



Vers 19

Het tijdspad.

Amminadab is schoonvader van Aäron.

Nahesson is dus zwager van Aäron Numeri 1:7

Salma is dan een neefje (oomzegger) van Aäron.

Salma kan hooguit 60 jaar geweest zijn, anders was hij in de woestijn gestorven. De intocht in Kanaän was ongeveer 1400. Toen leefde ook Rachab. David leefde 400 jaar later. In 400 jaar: Boaz, Obed, Isai, David? Rachab was ws de ....(groot)moeder van Boaz.

Zo staat het in geslachtregisters ook wel van vaders die eigenlijk voorvaders zijn.



Vers 21

Obed , zoon van Boaz.

Boaz en Ruth hadden géén leviraatshuwelijk, want Boaz was geen zwager van Ruth.

Daarom gold Obed niet als de zoon van Machlon, maar was hij zoon van Boaz.



<