Hoofdstuk 5


Vers 2

Besnijdenis.

In de woestijn was de besnijdenis achterwege gelaten. (Jozua 5:5)

Alleen binnen het verbond met God mocht men Kanaän binnen.

Maar... besnijdenis zonder besnijdenis van het hart (Jeremia 4:4) of van het oor (Jeremia 6:10) betekent niets.

Ezechiel 44:7.



Vers 3

Heuvel.

Zo werd de heuvel later genoemd.



Vers 9

Gilgal.

Gilgal = afgewenteld.

Waarschijnlijk was het geen plaats, maar een gebied, want in Jozua 18:25-28 lezen we over plaatsen van Benjamin, maar Gilgal ontbreekt.

Er zijn verschillende plaatsen die zo heten.

  1. Hier Gilgal, aan de overkant vd Jodaan, bij Jericho.
  2. Bij Sichem. Deuteronomium 11:30
  3. In de woestijn van Judea. Jozua 15:7



Vers 10

Pascha.

14 Abib / Nisan was Pesach.

In de woestijn was het Pascha niet gevierd, want onbesnedenen mochten het Pascha niet vieren.



Vers 11

De dag na Pascha.

De omer, de eerstelingschoof van de gerst werd aan God aangeboden na de sabbat.

Dan was Pesach op de sabbat.

Na het aanbieden van de gerstschoof, de eersteling, mocht men van de oogst gaan eten.



Vers 12

Manna hield op.



Vers 14

Vorst.

Sar = vorst, engelvorst.

Er is een geestelijke macht die Jozua zal steunen.

In SV staat "aanbad". Dat pleit er niet voor dat het hier over Michaël gaat.

Leger van de HEERE.

God of Jezus is de opperbevelhebber. Jozua moet Zijn bevelen uitvoeren.



Vers 15

Heilige plaats.

Omdat God daar is.



<