Hoofdstuk 4


Vers 2

Niets toevoegen.



Vers 3

U hebt gezien.

De geschiedenis moet je kennen om ervan te leren.



Vers 6

Doe ze.

Het komt aan op Gods geboden dóen.



Vers 7

De goden van de volken.

Goden van de volken zijn demonen.

Groot volk.

Groot volk: meer het Engelse "great" dan "large". Het ziet dus meer op belangrijkheid dan op omvang.

Groot = gado.

Hogepriester = Cohen hagado.


God is nabij ons.

Afgoden worden aangeroepen, maar ze horen niet.

Onze God is heel anders. Hij is dichtbij, Hij verhoort en helpt op het gebed.



Vers 9

Uw kinderen bekend maken.

Dit bekend maken heeft een doel.



Vers 11

De berg brandde.



Vers 12

God horen spreken.

God horen spreken is uniek.



Vers 13

2 stenen tafels.

Bij Sinaï sloot God een huwelijk met Israël.

Bij een huwelijksverbond hoorden 2 identieke huwelijksakten, één voor de bruid en één voor de bruidegom.

De beide tafels waren ook identiek.

Ze werden bewaard in de ark.

Die tafels heten ook: tafels van het verbond.



Vers 15

God sprak. Israël hoorde.

Dat is iets wat buitengewoon indrukwekkend is.



Vers 16

Man of vrouw.

Niemand zag iets van God.

Niemand mag daarom een afbeelding van God maken.

God waarschuwt ook tegen de afgoden die Israël vanuit Egypte kende.



Vers 17

Dier.

Vogel.



Vers 18

Kruipend dier.

Vis.

In Egypte was de godin Hatmehyt afgebeeld als een vis.



Vers 19

Hemellichamen.

Egyptenaren dienden de zonnegod.

De hemellichamen zouden geregeerd worden door engelen. De volken gingen echter deze hemellichamen en dus de engelen/demonen goddelijke eer geven.

Israël is Gods persoonlijke bezit. God heeft de "elohim" (= goden) aan de volken toebedeeld.



Vers 20

Een erfvolk.

Een persoonlijk eigendom van God.



Vers 24

Naijver.

Naijver is goede jaloersheid.

God gunt "Zijn vrouw" Israël niet aan de afgoden.

God heet ook de Na-IJverige.



Vers 26

Verdwijnen uit het land.

Verdwijnen uit het land is het gevolg van het verlaten van God.

Dit is helaas ook vervuld.



Vers 27

Diaspora voorspeld.

Israël verlaat God. De Joden dienen afgoden.

De verstrooiing onder de heidenen is het gevolg.

God herhaalt dat.

Strabo (geb. 63 v C) schreef: "Dit volk, de Joden, heeft zich in elke stad gevestigd. En het is niet gemakkelijk om een plaats in de bewoonbare wereld te vinden waar dit volk niet is gekomen en zijn macht niet heeft doen gevoelen."



Vers 29

Zoeken en vinden.

Israël komt tot geloof.

In het eind van de tijden zal Israël zalig worden.

God neemt de bedekking weg. Ze zullen Jezus als hun Messias erkennen.



Vers 30

In later tijd.

Letterlijk:

Romeinen 11:25-26.



Vers 31

Hij zal niet loslaten.



Vers 34

Een unieke verlossing.

De bevrijding van Israël uit Egypte is ook een unieke gebeurtenis. De Joden moeten dat ook jaarlijks herdenken: Pesach.



Vers 35

Aan u getoond, opdat..

Israël herdenkt jaarlijks de verlossing uit Egypte.

Gods doel is dat Israël goed zal weten dat God de enige en de almachtige God is.


Niemand anders dan Hij.

Hier wordt bedoeld: zoals God is, is er géén ander. Hij is de Hoogste God.

Er zijn ook goden van volken, demonen.

God strijdt tegen hen.



Vers 36

Zeer hoog vuur.

Israël was bang van dit vuur.



Vers 38



Vers 41

Vrijsteden.

Hier staan 3 vrijsteden in het Over-Jordaanse.

In Jozua 20:7 staan ook de 3 vrijsteden die in Kanaän lagen.



Vers 48

Berg Siyon.

Deze berg heeft verschillende namen.

2814 m hoog, altijd sneeuw.



<