Hoofdstuk 32


Vers 8

Wat staat hier precies?



Vers 10

Gods eigendom.

Israël is het persoonlijk eigendom van God.


Oogappel.

Zacharia 2:8.



Vers 11

Als de jonge arenden moe worden kunnen ze landen op de vleugels van een ouder.



Vers 13

Olie uit hard gesteente.

Olijfbomen groeien graag op rotsige plaatsen.


Honing.

Bijen in rotsspleten.



Vers 15

Jesjurun = de rechtvaardige.

Spreek uit: Jesjoeroen.

Het is een naam voor Israël.

De Septuaginta vertaalt met "geliefde". Het is een koosnaam.



Vers 16

Naijver.

Geoorloofde jaloersheid, zoals een man dat heeft als hij zijn vrouw bij een andere man ziet.



Vers 18

God als moeder.

Hier lezen we over God die Israël baarde.



Vers 21

Dwaas volk.

Dat zijn de heidenen.

God gaat heidenen voortrekken boven Israël, zodat Israël boos en jaloers zal worden.



Vers 22

Tot onderin de hel.

Hel = sheool = dodenrijk.

In het Grieks heet het "hades".

Het is NIET het helse vuur, NIET de poel van vuur en zwavel. Dat heet in het Grieks: gehenna.



Vers 23

Verschrikkelijke dingen.

Als het volk God verlaat, hebben ze smart op smart te vrezen.



Vers 26

Ik zal...

God denkt in Zijn toorn toch aan Zijn belofte aan Abraham.

Als Hij Israël zou verdelgen, zouden de vijanden gaan spotten. Dat schaadt Gods eer.



Vers 30

Als God Israël straft.

Dan zal 1 vijand 1000 Israëlieten verjagen.

Hun Rots (= God) levert hen over in de handen van de vijanden.



Vers 31

Hun rots.

Dat is hun afgod, waarop ze hun vertrouwen stellen.



Vers 32

Hun wijnstok is uit Sodom.

Israël heeft een heidense cultuur.



Vers 36

God zal berouw hebben.

Nooit zal God Zijn volk verdelgen. Hij houdt Zijn beloften.

Er komt een verandering in het lot van Israël. Dat zal in het vrederijk zijn.



Vers 39

Dat Ik, Ik Die ben.

God gebruikt hier Zijn grootste naam: Ik ben Die Ik ben, JHWH.


Ik genees.



Vers 40

God zweert.



Vers 41

God grijpt Zijn zwaard.

In de eindtijd neemt God het op voor Zijn volk Israël.

Hij grijpt Zijn zwaard.

Openbaring 19:11-15.



Vers 42

Mijn pijlen.

Gods pijlen zijn nooit reddend. Ze betekenen nooit: Evangelie tot bekering.

Gods pijlen vernietigen de vijanden.

Daarom kan de ruiter op het witte paard uit Openbaring 6 ook niet Christus zijn die het evangelie verkondigt. Het evangeliewoord is altijd een zwaard. Die ruiter is de antichrist.



Vers 43

Juich heidenen.

Deze oproep staat ook in Psalm 47:2.

Dat is ook de Psalm die beschrijft hoe Jezus met bazuingeschal optrekt tegen Zijn vijanden.

Hij brengt de vijanden onder de voeten van Israël. Psalm 47:4.

Zo eindigt het lied van Mozes bij het aanbreken van het vrederijk!



Vers 44

Hosea.

Dat is Jozua.



Vers 46

In deze tekst staat het doel van het lied van Mozes.



Vers 50

Verenigd met het voorgeslacht.

Die vereniging met het voorgeslacht gebeurde niet in zijn graf. Dat graf ligt ergens in Moab en niemand weet waar.

De vereniging met het voorgeslacht gebeurde in sheool, het dodenrijk. In de Bijbel heet die plaats ook gevangenis. Daar zijn de geesten van de overledenen, totdat Jezus hen, ná Zijn opstanding, meeneemt naar het paradijs in de hemel.

Waar is Mozes' voorgeslacht?

Sheool = Hades.

In NT heet het dodenrijk Hades.

Ook Jezus stierf en ging naar het dodenrijk = Hades.

Onze geloofsbelijdenis.

Onze geloofsbelijdenis spreekt over: Nedergedaald tot in de hel.

Dat is dus: nedergedaald in het dodenrijk, de Hades. Daar is Hij niet door God verlaten.

Het is niet: nedergedaald in gehenna = helse vuur. Daar is God niet. Daar zou Jezus dus wel verlaten zijn.



Vers 51

Numeri 20:12.



<