Hoofdstuk 20


Vers 2

Een priester spreekt.

De priester geeft het volk de belofte van God door. Wie de belofte van God gelooft, komt nooit beschaamd uit.



Vers 5

God heeft géén sterk leger nodig.

God kan ook door weinig strijders verlossen.



Vers 10

Vrede aanbieden.

Het gaat om volken buiten Kanaän, volgens vers 15 en 16.



Vers 15

Volken ver bij u vandaan.

Het gaat om volken buiten Kanaän. Die hadden een hogere moraal. Minder kans op soa's.

Deuteronomium 21:10-14.



Vers 16

Steden van deze volken.

Het gaat hier om steden in Kanaän. Het risico dat de Kanaänieten dragers van soa's waren, was heel groot.

Kanaänieten hadden een zeer lage moraal.



Vers 18

Opdat ze u niet leren..

Israël heeft de Kanaänieten niet allemaal gedood. Toen gebeurde ook, waarvoor hier gewaarschuwd wordt.

Dat gebeurde al snel ná de dood van Jozua.


Gruwelijke dingen.



Vers 19

Géén vruchtbomen vernielen.

Israël mocht dus niet vernielen, wat de mens tot voedsel kon dienen.

Vruchtbomen groeien langzaam en zijn nuttig.


In 2 Koningen 3:19 geeft Elisa de opdracht om de goede bomen te vellen.

Dat is vreemd.



<