Hoofdstuk 5


Vers 1



Vers 3

Liegen tegen de Geest.

De Heilige Geest is een Persoon.

Hij heeft lief.

Hij kan bedroefd worden.

Je kunt tegen Hem liegen.

Hij kan overtuigen.

Hij geeft gaven.

Hij is getuige.

Hij weet.

Je kunt tegen Hem zondigen.



Vers 6

Begraven.

Zonder Saffira in kennis te stellen wordt Ananias begraven.

Dat gebeurde binnen 3 uren.



Vers 12

Zij waren eensgezind bijeen.

Dat waren gelovige gemeenteleden.



Vers 13

En van de anderen.

Dat zijn de ongelovige Joden.



Vers 17

Hogepriester.

Hier is waarschijnlijk Annas bedoeld. Vgl.



Vers 19

Verlost door een engel.

Zo'n verlossing herhaalde zich toen Petrus alléén in de gevangenis zat.



Vers 23

Gods zorg.

God zorgde ervoor dat men de wachters niet van nalatigheid kon beschuldigen.



Vers 30

Jezus is opgewekt.

De sadduceeën geloven zelf niet in een opstanding uit de doden, maar ze hebben ook al het mogelijke gedaan om de opstanding van Jezus te ontkennen tegen beter weten in.



Vers 31

Door God verhoogd.



Vers 32

Die Hem gehoorzaam zijn.

In Johannes 3:36 lezen we dat gehoorzamen = geloven.

Gelovigen hebben de Heilige Geest.



Vers 34

Gamaliël.

Leermeester van Paulus.



Vers 35

Tegen hen.

Tegen de Joodse raad, het sanhedrin.



Vers 36

Vóór deze dagen.

In de tijd van Herodes was er een opstandeling Theudas. Dit was zijn Griekse naam. In het Hebreeuws heette hij Matthias.

Het punt van Gamaliël is: opstandige leiders komen en gaan en als de beweging van de apostelen niet van God is, zal deze ook vanzelf verdwijnen.



Vers 37

Judas ben Ezechia.

In zijn tijd kwamen Jozef en Maria terug uit Egypte.

Zijn hoofdkwartier was Sepphoris, ten NW van Nazareth. Generaal Varus vernietigde Sepphoris.


De dagen van de inschrijving.



Vers 40

Geselen.

Waarschijnlijk waren ze toch niet heel erg overtuigd door Gamaliël.

Bij de geseling door Joden kreeg de gestrafte 40-1 slagen.

Tijdens de geseling las men



Vers 41

Verblijd.

En dat na de geseling.



<