Hoofdstuk 21


Vers 1

Kos en Rhodos .

Griekse eilanden.


Patara.

Patara was een oude havenstad in Lycië, in het zuidwesten van Turkije. De stad lag aan de Middellandse Zee, in de buurt van het huidige Gelemiş, in de provincie Antalya. Patara was een belangrijke handels- en doorvoerhaven in de oudheid.



Vers 2

Fenicië.

Dat is het gebied van Tyrus en Sidon.



Vers 4

Ze zeiden door de Geest.

In Handelingen 20:23 had de Geest dit ook al tegen Paulus gezegd. Deze discipelen spreken door de Geest, maar Paulus luistert niet.


Mogelijke uitleg:

1. De Geest openbaarde het lijden dat zou komen.
De discipelen kregen door de Heilige Geest inzicht in het gevaar dat Paulus in Jeruzalem zou wachten (vgl. Handelingen 20:22-23).
Hun natuurlijke reactie was om hem te waarschuwen en te ontmoedigen om te gaan.

2. De waarschuwing versus het bevel van God. De Geest waarschuwde Paulus niet om hem tegen te houden, maar om hem voor te bereiden op wat zou komen.
Paulus was zich bewust van zijn roeping en wist dat hij ondanks het gevaar gehoorzaam moest zijn (Handelingen 21:13-14).

3. Menselijke interpretatie van een goddelijke boodschap.
De discipelen ontvingen een echte boodschap van de Geest over het lijden dat Paulus te wachten stond.
Maar hun conclusie (dat hij niet moest gaan) was mogelijk een menselijke interpretatie en niet per se een direct gebod van de Geest.



Vers 7

Ptolemaïs.

Dat is Acco.



Vers 8

Filippus, de evangelist.

Dat was de diaken, die de Moorman doopte.


Vroeger moest Filippus voor Saulus vluchten. Nu komt Paulus op bezoek als een broeder.



Vers 9

Profetessen.

Blijkbaar is er ruimte voor openbare bediening door vrouwen

Individuele vrouwen maken God groot, ook wel in de synagoge.

De dochters van Filippus profeteerden. Dat was een bewijs dat ze met de Heilige Geest vervuld waren.



Vers 10

Agabus.

Deze profeet had al eerder over een naderende hongersnood gesproken.



Vers 11

3e bevestiging.

Dit is de derde keer dat Paulus de boodschap van de Heilige Geest hoort.



Vers 12

Wij smeekten.

Hier lees je de menselijke reactie op de openbaring door de Geest.

Paulus hoort over de weg die vóór hem ligt en hij wil die gaan.

Hij lijkt zo op Jezus die ook naar Jeruzalem reisde en toch wist dat daar de kruisdood wachtte.



Vers 18

Jacobus.

Jacobus, de broer van Johannes, was gedood.

Er was onder de 12 discipelen nog een stel broers, Judas en Jacobus.

Een tweede mogelijkheid is Jacobus, de broer van Jezus. Die gaf later ook leiding aan de gemeente in Jeruzalem.



Vers 20

Tienduizenden Joden.

Er waren al veel christenen onder de Joden.

Maar...ze bleven streng vasthouden aan de wet, de Thora.



Vers 21

Men heeft hun verteld.

Dat was het verhaal van vijandige Joden. Ze probeerden Paulus verdacht te maken.

Alsof Paulus zou zeggen, dat de bekeerde Joden in alles gelijk mogen worden aan de bekeerde heidenen.

Paulus weet heel goed dat de besnijdenis voor de Joden een eeuwige inzetting is.

Paulus is tegen wetticisme, maar weet goed dat de wet niet is afgeschaft.



Vers 22

De menigte zal samenkomen.

Het is Pinksterfeest.

Veel Joden zijn nu in Jeruzalem. Ze zullen nu komen om de waarheid of de onwaarheid te horen.



Vers 23

4 mannen.

Deze 4 mannen leefden als Nazireeërs. Paulus moet zich bij hen voegen en zo laten zien, dat hij waarde hecht aan de wet van Mozes.



Vers 26

Dagen van reiniging.

Dat zijn 7 dagen.



Vers 27

Joden uit Asia.

In Asia lag Efeze.

Deze ongelovige Joden kenden Trofimus, die ook uit Efeze kwam. Vers 29.



Vers 28

Heilige plaats ontheiligd.

Tussen het voorhof van de heidenen en het voorhof van de Joden was een ruimte van 5 m breed en 3 m hoger.

Er was een trap met 12 treden.

Er stonden waarschuwingsborden voor elke onbevoegde: doodstraf.



Vers 29

Trofimus.



Vers 31

De overste.

Claudius Lysias.

Hij was overste over 1000.



Vers 32

Paulus werd geslagen.

De Joden ijverden voor de wet, maar diezelfde wet zegt: gij zult niet doodslaan.



Vers 34

Kazerne.

De burcht Antonia, naast de tempel.



Vers 38

De Egyptenaar.

Een valse Messias, leider van Zeloten.

Josefus schrijft dat hij met een kern van 4000 Zeloten en nog een groep van 30.000 man optrok naar de Olijfberg om Jeruzalem te veroveren.

Felix versloeg hem.



<