Hoofdstuk 7


Vers 21

Jezus genas mensen van boze geesten.

Juist over deze genezing van boze geesten zegt Jezus niets tegen de discipelen van Johannes de Doper.

Het waren waarschijnlijk de blinden, de lammen, de doven, de melaatsen die van demonen genezen werden.



Vers 24

Zie Mattheus 11:7



Vers 29

De tollenaars.

Zij waren door Johannes gedoopt.

Zij spraken goed van Johannes. Zij vonden dat hij een rechtvaardig mens was. Ze zagen Johannes als profeet van God.


God rechtvaardigen.

God gelijk geven.

God had gezegd:"Dit is Mijn geliefde Zoon".

Dat beaamden de tollenaars.

Ze gaven God gelijk.



Vers 30

Farizeeƫrs.

Zij verwierpen Gods raadsbesluit. Zij verwierpen het heil dat Johannes verkondigde. Hij had Het Lam Gods aangewezen.

God had ook hun heil op het oog, maar zij wilden niet in Jezus geloven.



Vers 35

De Wijsheid is...



Vers 37

Een zondares.

Waarschijnlijk was dit Maria, de zus van Lazarus.

Ze wordt genoemd in



<