Hoofdstuk 27


Vers 7

De erfgenamen.

  1. De zoon.
  2. De dochter.
  3. De broer.
  4. De oom.
  5. Een meest naaste familielid.

Deze erfdochters mochten alléén trouwen met stamgenoten. Anders ging het erfbezit over naar een andere stam.

Deze 5 zussen trouwden met neefs.

Flavius Josefus beweert dat een erfdochter haar erfgoed verloor, als ze buiten haar stam trouwde.



Vers 12

Berg Abarim.

Dat is de berg Nebo.



Vers 13

Met uw voorgeslacht verenigd.

Bij het overlijden gaat het lichaam van Mozes in het graf, ergens in Moab, maar de geest van Mozes gaat naar de sheool, het dodenrijk.

Daar is ook zijn voorgeslacht.

Volgens Numeri 20:24 is ook Aärons geest daar in sheool. Zijn lichaam lag bij de berg Hor.

In Genesis 49:33 lees je hetzelfde over Jakob. Dit "verenigen met het voorgeslacht" gebeurt op het moment van overlijden.

Zijn gebalsemde lichaam werd ruim 70 dagen later begraven in de spelonk van Machpela.

Je leest het over Abraham.

Je leest het over Ismaël.



Vers 18

Leg uw hand op hem.

Door handoplegging wordt Jozua in het ambt gesteld.

Volgens vers 20 krijgt Jozua zo van de heerlijkheid van Mozes.



Vers 21

Jozua vraagt via Eleazar.

Jozua is veel minder dan Mozes. Mozes sprak rechtstreeks met God. Jozua doet dat via de hogepriester dmv. urim en tummim.


Urim .

Hier wordt alleen urim genoemd. Misschien is urim de "goede" steen, de steen van God.

God antwoordde koning Saul niet door de urim.



<