Hoofdstuk 16


Vers 1

4 opstandige personen.

  1. Korach. (Uit Levi).
  2. Dathan. (Uit Ruben).
  3. Abiram. (Uit Ruben).
  4. On. (Uit Ruben).



Vers 2

Afgevaardigden.

Deze 250 personen waren leden van de raad van oudsten door wie Mozes de geboden van God tot het volk liet brengen.



Vers 3

Waarom verheft u zich?

De opstandelingen laten het voorkomen, dat Mozes en Aäron zichzelf op de hoge positie hebben gezet.

Ze willen deling van de macht.


Morrende mensen.

Volgens Numeri 17:5 morren ze over God en tegen Mozes.



Vers 4

Mozes bad.

Mozes beseft dat de opstand niet in de eerste plaats tegen hem en Aäron is, maar tegen de besluiten van God.

God geeft aan Mozes belangrijke aanwijzingen over hoe het nu verder moet.



Vers 7

U trekt teveel naar u toe.

Ditzelfde hadden de opstandelingen Mozes en Aäron verweten in vers 3.

Mozes waarschuwt hen. Zij willen priesterlijke taken, maar die had God gereserveerd voor de familie van Aäron.



Vers 9

Is het u niet genoeg..?

De Levieten waren al afgezonderd voor de dienst aan God, maar Korach e.a. zijn daarmee niet tevreden.

Ze willen priesterdienst.



Vers 11

U spant samen tegen de HEERE .

Mozes zet de opstand in het juiste perspectief. Aäron is niets, hij maakte zelfs het gouden kalf. God zelf zette hem op de positie van hogepriester.

De opstandelingen keren zich tegen Gods besluit. Dat is heel gevaarlijk.



Vers 12

Dathan en Abiram.

Mozes kon met Korach, zijn neef, geen overleg meer voeren. Mozes probeert het met Dathan en Abiram. Ook dat mislukt.

Zij verwijten Mozes hun verblijf in de woestijn. Maar ook zij ontkennen, dat God leidde.



Vers 14

U hebt ons niet gebracht naar Kanaän.

Dathan en Abiram verdraaien de feiten. Het volk was ongelovig geweest nadat de 12 verspieders waren teruggekomen.

God strafte het volk en het mocht niet naar Kanaän. Het was zeker niet de schuld van Mozes.



Vers 15

Zie hun offer niet aan!

Nu bidt Mozes tégen de opstandelingen.

Hij is boos over het onrecht dat ze hem aandoen.



Vers 19

De heerlijkheid vd HEERE.

De vurige gloed verschijnt in de wolk. Dat betekende niet veel goeds .

Het volk had dit al eerder gezien in Numeri 14:10.


De hele gemeenschap is er.

Door deze grote opkomst laat het volk zien, dat ze de kant van Korach kiezen. Ze kiezen dus weer tégen God.

In vers 21 lezen we dat God het volk wil vernietigen.

Mozes bidt voor het volk. God verhoort opnieuw.

Een krachtig gebed van een rechtvaardige redt het volk voor de 2e keer.

De volgende dag bidt Mozes weer, maar dan hoort God niet.

Dan sterven er 14.700 mensen.



Vers 21

God wil het vólk vernietigen.

We lezen niet dat iemand het opneemt voor Mozes en Aäron.

Ze steunen heimelijk Korach of houden zich afzijdig.

Opnieuw redt Mozes het volk.



Vers 24

De vierde man.

De vierde opstandeling was On uit de stam van Ruben.

Over hem lezen we niets van straf.

Bedacht hij zich?



Vers 25

Mozes gaat naar het tentenkamp van Ruben.

Mozes bezoekt Dathan en Abiram. Zij waren waarschijnlijk naar hun tenten terug gegaan, of nog helemaal niet gekomen. Het volk moet weg bij die tenten.



Vers 30

Levend naar het graf.

Voor "graf" staat hier niet qebûrâh, maar sheool.

Ze gaan levend naar sheool, dat is het dodenrijk.

In Deuteronomium 34:6 wordt het graf van Mozes genoemd, maar daar staat voor "graf" echt een ander woord: qebûrâh.


In de SV staat:" levend ter helle", maar ze gingen niet naar het helse vuur (Grieks gehenna), maar naar sheool, (Hades in het Grieks).

Ze gingen naar het hart van de aarde.

Daar was Jezus ook 3 dagen en 3 nachten.



Vers 32

Alle mensen van Korach.

Dit zijn mogelijk mensen die achter de opstandelingen stonden.

In Numeri 26:11 zegt, dat de kinderen van Korach niet stierven. Zij namen afstand en bleven leven. Later werden ze tempelzangers.



Vers 33

Naar het graf.

Mozes krijgt later een graf in een dal in Moab.

Voor graf staat het woord qebûrâh.

Hier staat dat woord niet. Korach en aanhang gaan naar sheool. Dat is het dodenrijk.

Sheool = dodenrijk.

  1. Het is diep in de aarde. De mensen dalen erin af. Numeri 16:30-33. Genesis 37:35.
  2. Er zijn "diepten van de sheool". Deuteronomium 32:22 Psalm 86:13.
  3. Het is een donkere plaats. Job 10:21-22.
  4. Het is een gesloten plaats met vergrendelde poorten. Job 17:16. Jesaja 38:10.



Vers 37

Ze zijn heilig.

Er is heilig vuur in deze wierookschalen geweest. Dat vuur kwam vh brandofferaltaar.


Bestand tegen Gods toorn.

De 250 mannen werden door Goddelijk vuur gedood. De wierookvaten die ze droegen waren onbeschadigd. Ze verdroegen Gods vuur.

Van dit koper van deze wierookvaten bekleedde men het brandofferaltaar.

Maar... was het brandofferaltaar nog niet klaar, of was dit een bijzondere bekleding, een " herinneringsplaquette"?

Vers 40.



Vers 38

Platen voor het brandofferaltaar.

Ieder die later de koperen platen zag, weet dat alleen priesters mogen offeren.


Koper.

Het is een beeld van de godheid van Christus.

Dit koper hield stand in het oordeel van God.



Vers 39

Beslag voor het altaar.

Hout, overtrokken met koper, is absoluut vuurbestendig, als de koperen naden hermetisch dicht zijn.



Vers 41

U hebt hen gedood.

Het volk blijkt hardleers.

Het oordeel ging duidelijk van God uit.

Dat Mozes gisteren voor hen had gebeden zijn ze nu al vergeten.

Mozes had hen juist gered door zijn gebed.



Vers 42

De heerlijkheid van God.

De verschijning van de heerlijkheid van God betekent niet veel goeds.

Zie Numeri 16:19.



Vers 45

Herhaling van gisteren.

Dezelfde situatie als gisteren, toen verhoorde God het gebed van Mozes, maar nu niet.



Vers 46

Neem de vuurschaal.

Aäron had een gouden wierookvat. Exodus 37:16.

Korach ea hadden koperen wierookvaten.

Een reukoffer kon nu meer doen dan een gebed.


Doe verzoening.

Dit is een verzoening zonder bloed.



Vers 47

Aäron deed verzoening.

Nu had het volk toch een overtuigend bewijs, dat Aäron de door God aangestelde hogepriester was.

Het kostte wel 14.700 mensen het leven, naast hen die de vorige dag waren omgekomen.



<