Hoofdstuk 27


Vers 2

Iemand een belofte doet..

In Genesis 28 doet Jakob bij Bethel een belofte aan God.

Ook Jeftha deed een belofte voordat hij de strijd met de Ammonieten begon.

Men kon een belofte doen bij een bijzondere gelegenheid.

Dat beloofde offer kon men inruilen tegen geld.

De waarde wordt in dit hoofdstuk vastgesteld, of de priester deed dat.


Toewijdingsoffer.

Men kon God iets toewijden.

Een mens werd zo eigenlijk een dienstknecht of dienstmeisje van het heiligdom, maar door geld kon men zich vrijkopen.



Vers 3

Sikkel.

Een sikkel is 10 tot 13 gram zilver.



Vers 9

Heilig zijn.

De bezitter verliest direct het eigendomsrecht.



Vers 10

Toch omruilen.

Als het beloofde dier een gebrek had, of slecht was, dan kon het omgewisseld worden voor een goed dier, maar dan was de bezitter beide dieren kwijt.

Het gebrekkige dier is voor de priester.



Vers 12

Waarde bepalen.

De priester bepaalt de waarde.

Het dier kan verkocht worden en de opbrengst is voor het heiligdom.



Vers 13

Deel extra.

Als de bezitter het dier toch wil houden, kan dat, maar dan moet hij ⅕ vd prijs extra betalen.



Vers 28

Door de ban gewijd.

Dit is veel sterker dan een belofte.

Het was onherroepelijk.

Het gewijde werd bezit vh heiligdom en kon niet vrijgekocht worden.

Misschien was dat zo met de dochter van Jeftha en met Samuël.



Vers 32

Tienden.

Elk 10e dier werd gemerkt en was voor God.

Dit dier kon dus ook niet door een bijzondere belofte aan God gegeven worden.



Vers 33

Toch omruilen.

Als het 10e dier een minder goed dier is en de eigenaar dat wil omwisselen voor een beter dier, dan zijn beide dieren voor de HEERE.



<