Hoofdstuk 27


Vers 1

Jojakim??

Ws een verschrijving.

De mannen tegen wie Jeremia spreekt en die de jukken droegen die gaan naar koning Zedekia.

Deze tekst is bijna hetzelfde als Jeremia 26:1.



Vers 7

Hem, zoon en kleinzoon

Hem=Nebukadnezar

Zoon =Evilmerodach

Kleinzoon= Nabonnedus (+Belsazar)


Grote koningen

Koningen van Meden en Perzen.



Vers 18

Eigenlijk daagt Jeremia de valse profeten uit om te bewijzen dat ze profeten van God zijn.



Vers 19

Pilaren

Jachin en Boaz.


Zee

=koperen zee van Salomo, het "wasvat" vd tempel. Dat stond op stellingen en runderen.

Jeremia 52:17

Toen ging dit koper alsnog naar Babel.



Vers 22

Terugbrengen

Ezra kreeg weer voorwerpen mee terug. Ezra 1:9-11



<