Hoofdstuk 30


Vers 1

Waarover gaat het?

In dit hoofdstuk gaat het over de uitvoering van het oordeel over Juda. Dat gebeurt door Babel.

Studiebijbel ea. zien dit hoofdstuk vervuld toen Sanherib Jeruzalem belegerde. Men baseert dat op

Maar daar gaat het over Assyrië van de eindtijd .

Vreemd, want..

  1. Er is sprake sprake van een vallende muur (Jesaja 30:13) Dat gebeurde niet ttv Hizkia.
  2. Er is sprake van een bevolking die vlucht, maar wordt opgepakt Jesaja 30:16-17. Dat gebeurde niet ttv. Hizkia.
  3. JHWH is Juda niet meer genadig (Jesaja 30:18) Dat is bij Hizkia juist wél zo.

Om een plan te maken, maar niet uit Mij.

Plannen die niet tot uitvoering komen, zien op de politiek van Juda. De Joden zoeken steun bij Egypte. Ze sluiten met Egypte een verdrag. Door het gieten van afgodsbeelden verbreken ze opnieuw Gods verbond. Dat leidt tot de ondergang.



Vers 2

Wat Mijn mond spreekt.

God sprak:



Vers 3

Farao beschaamt Israël.

Jeremia 37:5-6 toont aan dat Egypte Juda in de steek liet.

Israël steunt op mensen en niet op God.



Vers 4

Zoan en Chanes

Zoan = Tanis in Neder-Egypte.

Chanes????



Vers 5

Een volk dat geen nut doet.

Dat volk is Egypte.



Vers 6

Lastdieren, zoals kamelen en ezels, brengen schatten van Juda naar Egypte om zich van Egyptische steun te verzekeren.


Vliegende draak= giftig reptiel (VdW)



Vers 7

Rahab.

=Egypte.



Vers 8

God trekt de handen van Juda af.

Jesaja moet het 2 keer schriftelijk vastleggen.

  1. Op een schrijftafel.
  2. Op een boekrol.

Laatste dag.

= 7e Tijdperk, de toekomst.



Vers 9

Hoe is Israël?

In de verzen 9-11 wordt beschreven hoe slecht Israël zich gedroeg.



Vers 10

Zieners en schouwers. Dat zijn profeten.



Vers 11

Juist een goede raad

VdW:

Jesaja geeft hier dus een goede raad.



Vers 14

Alleen kleine scherven.

De ondergang van Jeruzalem zal grondig zijn. Er zijn alleen nog kleine scherven over, te klein om water te scheppen.



Vers 15

Redding.

Redding is nog alleen mogelijk door:

  1. terugkeer (bekering).
  2. vertrouwen op God (geloof).



Vers 18

Hoop voor de toekomst.

Nu gaat de profetie naar de toekomst. Er blijft hoop. God zal zich ontfermen. Het Messiaanse rijk komt.

Dan moeten de Joden wel de Messias aanvaarden.



Vers 19

Nooit meer wenen.

Dat moet gaan over het vrederijk.


Gelovige Joden zullen roepen.

In de grote verdrukking zal er een overblijfsel zijn. De antichrist zal hen vervolgen. Ze zullen tot God roepen en hij zal hen redden in de woestijn.

Daar zal God hen onderhouden. Ze krijgen brood en water zoals ttv Mozes.



Vers 20

Uw leraren.

VdW kiest: leringen.


VdW:

Er zal vóór die tijd nog wel veel lijden zijn. Antisemitisme.



Vers 21

Israël komt weer op de goede weg.


VdW: "Dan zullen uw oren het woord horen en navolgen, dat zegt : Dit is de weg..."


Dan gaat het volk Israël op de goede weg.



Vers 22

Wegwerken.

Studiebijbel:

Weg met de afgodsbeelden.

In de grote verdrukking zal de antichrist zich als god laten vereren. Overal zullen afgodsbeelden staan, zelf in de tempel staat "de gruwel".

Daar zal men nu niet meer naar omzien.



Vers 24

Gezouten voer.

Waarschijnlijk groentenafval dat slecht begint te worden. Het gaat verzuren, gisten.



Vers 25

Dag van de slachting.

Vs 25-33 gaan over GODS wraak over de heidenvolken. Dat gebeurt in de grote verdrukking.



Vers 26

Ondragelijke hitte.

In de grote verdrukking komen die grote rampen.

Catastrofale natuurverschijnselen.

God verbindt de breuk.

dwz. God heft de bedekking voor de Joden en voor de volken op.

Ook heelt de Heere alle wonden. Het vrederijk breekt aan. Jezus wordt de Koning van de Joden.



Vers 27

Eindtijd.

Dit stuk over Assyrië staat in de context van de eindtijd.

Dan gaat het hier niet over het oude Assyrië van Sanherib, maar over Assyrië als de grote vijand van God.


Zijn toorn brandt.

Als het over de toorn van God gaat, dan gaat het hier over Gods toorn in de grote verdrukking.



Vers 28

Zijn adem.

Dat is Gods adem.

God doodt de antichrist met de adem van Zijn lippen.

We lezen over die laatste strijd in

Heidenvolken wannen.



Vers 29

Vreugde over de ondergang van de antichrist. (Assyrië)

Er is blijdschap bij Israël.



Vers 31

Assyrië.

Het gaat over de Godvijandige macht in de eindtijd.



Vers 33

Verbrandingsplaats voor de koning.

Die koning is antichrist of satan. De antichrist gaat naar de hel. Satan voorlopig in de afgrond.

Na het vrederijk gaat satan naar de hel.

De koning van Assyrië is niet verbrand.



<