Hoofdstuk 66


Vers 1

Aarde.

Eretz kan ook vertaald worden met "land".


Heel de aarde.

Als God wereldwijde lof en eer krijgt, dan is het vrederijk aangebroken.



Vers 3

Veinzen.

Eigenlijk is het "noodgedwongen onderwerpen". Dat is niet hetzelfde als "geveinsd".

Dit is Messiaans.



Vers 4

Heel de aarde.

Wereldwijde huldiging van God komt vaker voor. Maar het is wel toekomst. Het gebeurt in het vrederijk.



Vers 5

Gods daden.

We mogen daarvoor ook terugkijken.



Vers 6

Voorbeelden van Gods daden.

In Hem verblijd.

Israël zong na de doortocht door de Rode Zee.



Vers 7

Zijn ogen.

Dat zijn waarschijnlijk Gods (aarts)engelen.

Zie aantekeningen bij Zacharia 3:9.


Niet opstandig zijn.

Denk aan farao. Hij streed tegen God, maar ging ten onder.



Vers 8

Loof volken ónze God.

Het Hebreeuws is "am".

Ammi = volk.

Dit woord kan voor de stammen van Israël staat.

Dit woord "am" wijst op volken die een relatie hebben met God.

Het kunnen de heidenvolken zijn die zich in de eindtijd onderwerpen aan de Messias.

Dit woord "am" wordt ook gebruikt in

Als de heidenvolken ónze God gaan loven, gaat het waarschijnlijk over het vrederijk.

Volken gaan de Messias loven als Hij is wedergekomen.



Vers 9

Leven voor onze ziel.

Onze ziel = onze persoon.

Israël is als zilver gelouterd ( Vers 10) vanaf het jaar 70 en dat zal opnieuw gebeuren in de grote verdrukking. Met de wederkomst van de Messias komt Israël weer tot leven. Israël wordt dan een machtige staat o.l.v. de Messias.

Micha noemt Israël in de eindtijd een leeuw tussen schapen.

Zacharia noemt Israël in de eindtijd als een vuur tussen het hout of als een fakkel tussen stro.



Vers 10

Beproefd en gelouterd.

Als het hier gaat om profetie over de eindtijd, dan kan de genoemde loutering de grote verdrukking zijn. De stammen van Israël (ammi) komen bij Jezus' wederkomst tot erkenning van de Messias.

Dan zal heel Israël zalig worden.

Ook de heidenvolken zullen de Messias eren.



Vers 12

Over ons hoofd rijden.

Het kan profetisch zien op de tijd van de diaspora. De Joden werden veracht, verjaagd, leefden in getto's, werden gedood door inquisitie, werden vergast.

Jesaja 51:22-23 beschrijft dit beeld.


Deze loutering van Israël lezen we ook in Openbaring 12.

De draak, de antichrist, vervolgt Israël. Israël vlucht naar de woestijn en God zorgt daar voor hen 1260 dagen, 3½ jaar.

Vuur en water.

Extreme gevaren die de Joden overkwamen in de heidenwereld.

Overvloed.

God gaat Israël redden.

Het is Zijn volk, Zijn persoonlijk eigendom.

De rijkdom van de heidenvolken komt in het vrederijk naar Israël.

Daarover spreekt Jesaja.



Vers 13

Brandoffer.

De huid van het offerdier is voor de priester. De rest wordt verbrand.



Vers 15

Mestvee

Eigenlijk "mergrijke dieren".

Vgl. Jesaja 25:6.

Een Messiaans banket.


Bokken.

Bijzonder dat bokken hier genoemd worden als brandoffers.

In de Bijbel zijn bokken meestal dankoffers.



Vers 16

Mijn ziel.

=Aan mij gedaan heeft.



Vers 17

Gebed en roem.



Vers 18

Geen onrecht op het oog.

De dichter hield de zonde niet aan de hand. Hij wilde niet léven in de zonde. Het wijst hier dus NIET op zondeloosheid.


Dan zou God mij niet verhoord hebben.



Vers 20

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



<