Hoofdstuk 35


Vers 1

Roep ter verantwoording.



Vers 3

De HEERE strijdt voor Israël.



Vers 5

De engel van de HEERE.

In het OT is dat vaak de Zoon van God.



Vers 6

God strijdt vóór Israël.

Achtervolgers worden nu zelf achtervolgd.



Vers 7

Een kuil.

Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.


Mijn ziel.

Dat is mijn persoon.

Ze groeven een kuil voor mij.



Vers 11

Misdadige getuigen.

Nu komen er andere vijanden, valse getuigen.

Ook zij hebben het op Davids leven gemunt. Hun manier is: list en bedrog.



Vers 13

Kwaad voor goed.

David had deze misdadige getuigen zo anders behandeld dan hij door hen behandeld werd.

David behandelde hen als vriend en broeder. Hij rouwde over hun tegenslagen.


Vasten.



<