Gouden kleinood.
God is onze Toevlucht.
Voor ieder die tot God de toevlucht neemt, geeft God rijke beloften.
Op Gods beloften richt ons geloof zich. God maakt Zijn woorden waar.
Mijn goedheid is niet voor u.
Het woordje "is" staat niet in de grondtekst.
Anders vertaald:
Dus: de HEERE gaat boven alles.
De bijbel in gewone taal schrijft:
Liefde.
In de verzen 2 en 3 zegt David dat hij God en Gods volk liefheeft.
Heiligen en machtigen.
Dat zijn hier de mensen die God vrezen. Met die mensen is David blij.
Goden.
Dit woord "goden" staat niet in de grondtekst.
David wil niets met deze afgoden te maken hebben.
Hij wil hun namen niet eens noemen.
mijn enig deel.
Letterlijk:
Jeremia zegt hetzelfde:
Wie is de Heere voor jou?
Mijn beker.
Een overlopende beker is het beeld van rijke zegen.
Een prachtig erfelijk bezit.
David kreeg van God een prachtig erfelijk bezit.
God geeft raad.
Hier is God ook Raadgever.
Steeds vroeg David ook naar de wil van God.
De HEERE voortdurend voor ogen.
Zo is het leven van een geestelijke gelovige. Zo'n leven bewaart voor veel zonden. Wij mensen kunnen maar 1 kant opkijken. Als we op Jezus zien, zondigen we niet. Als we op de wereld zien, zondigen we spoedig wel.
De tegenstelling, het leven van de óngelovige, lees je in
Aan mijn rechterhand.
God is dichtbij David.
David wandelt met God.
Daarom..
De reden staat in vers 8.
Mijn hart is verblijd.
David houdt zijn ogen op de HEERE gericht.
Hij verblijdt zich in God.
Daartoe worden ook wij opgeroepen.
Mijn eer.
= mijn tong.
Het woord komt ook voor in Psalm 30:12-13. Ook daar betekent het: mijn persoon, ikzelf.
Ook zal mijn lichaam veilig wonen.
In Handelingen 2:26 staat het anders:
Mijn ziel in het graf (=sheool)
Mijn ziel
Graf:
= Sheool.
In 't Grieks : Hades.
= dodenrijk.
Is graf hier het juiste woord?
In het Hebreeuws is het woord voor "graf" qeber qibrâh. Dat woord staat hier niet. Hier staat: sheool.
Jezus' lichaam gaat in een graf (grieks: taphos).
Zijn líchaam ging dus NIET in Hades. Zijn géést ging naar Hades. In Psalm 16:10 staat het Hebreeuws "sheool".
Jezus, de Gebondene, verlost gebondenen.
Volgens Handelingen 2:24 werd Christus met banden van de dood gebonden (vgl Psalm 18:6 banden van sheool), maar de Vader ontbond die banden en ook Deze "Gebondene" (=Jezus) kreeg vrijheid.
Hades / sheool had twee afdelingen:
De rijke man kwam in de afdeling "smarten" en leed pijn.
Lazarus was in de goede afdeling, de afdeling van de gebondenen. Daar was ook Abraham. Jezus noemt deze goede afdeling "paradijs".
De moordenaar aan het kruis naast Jezus mag met Jezus mee naar het paradijs. Dat heet in de geloofsbelijdenis "neergedaald in de hel". Dus neergedaald naar het paradijs in het dodenrijk (sheool / hades)
Het dodenrijk heet ook "gevangenis".
De OT-gelovigen zitten daar "gebonden", totdat Jezus betaald heeft en verzoening heeft gedaan.
Het hoort bij de taak van Jezus om deze gevangenen / gebondenen te verlossen en vrij te maken.
Ieder in het OT komt in het dodenrijk.
Psalm 89:49 zegt dat niemand aan de "sheool" = dodenrijk kan ontkomen. Ongelovigen en gelovigen komen daar. Zie de aantekeningen daar.
Pad ten leven.