Hoofdstuk 143


Vers 1

7e Boetpsalm.

Dit is de laatste boetpsalm.



Vers 2

Ga niet in het gericht met uw dienaar.

Geen mens kan bestaan voor de rechtvaardige God. God kan niet met de kleinste zonde leven. Maar Christus is voor ons in het gericht van God geweest. Hij droeg onze straf. Wij geloven in Hem en weten dat we in Hem wel kunnen bestaan in het gericht. God straft de zonden immers NIET 2x.

David komt als dienaar en een dienaar heeft géén rechten.


Rechtvaardig zijn.

Wie in Christus is, die is wel rechtvaardig voor God.

Maar... rechtvaardigen doen in hun leven wel onrechtvaardige daden. Ze léven niet in de zonde, maar ze vállen soms in de zonde. Daar tobt ook David mee.



Vers 3

Wonen in duistere oorden.

David vluchtte van spelonk naar spelonk. Hij woonde in donkere grotten.



Vers 4

Mijn geest is bezweken.

David is de wanhoop nabij.



Vers 5

Ik denk aan vroeger.



Vers 6

Handen uitspreiden.

= gebedshouding.



Vers 7

De nood is groot.



Vers 9

Mijn hulp is van de HEERE alleen.



Vers 10

U bent Mijn God.

Er is een innige relatie.


Uw goede Geest.

Hier is de Geest een Persoon. Als Hij leidt, dan struikelen we niet. Vandaar een "geëffend land".



Vers 11

Maak mij levend.

David voelde zich in duistere oorden, vertrapt, in een dorstig land.

Hij verlangt er naar dat God hier verandering in zal brengen.



Vers 12

Goedertierenheid.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.

Ik ben Úw dienaar.

David is Gods dienaar. God is Davids Eigenaar en Beschermer.



<