Hoofdstuk 109


Vers 1

Judas Iskarioth.

De oude kerk noemde dit een Iskariothische psalm, dus naar Judas Iskarioth. Vooral op grond van vers 8.

Dit vers wordt aangehaald bij de verkiezing van Matthias als apostel ipv. Judas Iskarioth.



Vers 2

O God, zwijg niet.

Dit zijn de 2 redenen waarom God in actie moet komen.

  1. Bedrog.
  2. Valse beschuldiging.

Messiaans.

Ook Jezus kon deze klachten uiten bij het verraad door Judas.



Vers 3

Zonder reden bestreden.

Ook voor Jezus geldt deze klacht. Ook Hij gaf geen reden voor het verraad van Judas.



Vers 4

Gebed.

Letterlijk:

Ook deze woorden van David zouden van Jezus kunnen zijn.



Vers 5

Groot onrecht.

Kwaad i.p.v. goed, haat i.p.v. liefde.

David ervaart dit als erg onrechtvaardig.

Ook deze woorden zouden van Jezus kunnen zijn.



Vers 6

3 personen.

  1. Rechter.
  2. Goddeloze die de vijand van David voor de rechter brengt.
  3. Aanklager, de satan.



Vers 7

Veroordeel hem!

De vijand wordt schuldig verklaard. Zijn smeekbede (om strafvermindering) zal als zondig worden afgewezen.



Vers 8

Een ander neemt zijn ambt.

Matthias komt als apostel i.p.v. Judas Iskarioth.

David gaat beschrijven welke straf hij gepast zou vinden.

Het is wel cru, maar er spreekt een diepe gekwetstheid uit.

Jezus bad niet om de ondergang van Judas, maar Hij zocht zijn behoud tot het laatste toe.



Vers 14

De Heere zou ook moeten denken aan de zonden van het voorgeslacht van de vijand.



Vers 16

Het doel van de vijand.

David noemt nu redenen waarom God zo streng zou moeten optreden tegen de vijand.

De vijand had Davids dood op het oog.



Vers 17

Vloek.

Een vloek van God is wel heel erg.

Als God iemand vervloekt, is dat zijn ondergang.

Vloek staat lijnrecht tegenover zegen. God zet zegen en vloek tegenover elkaar in

Koning Balak van Moab wilde dat Bileam het volk Israël zou vervloeken, zodat hij het volk zou kunnen verslaan.


Het erge van een vloek.



Vers 19

De vloek als een kleed en een gordel.

Zo is de vloek steeds bij de vijand.

Dat is heel erg.



Vers 21

Red mij.

Davids gebed om hulp gaat verder. Hij voelt zich dodelijk gewond. (vs 22)


Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in Galaten ook met vriendelijkheid.



Vers 23

Langere schaduw.

Dat wijst op het einde van de dag.

Het wijst hier naar het naderende levenseinde.



Vers 25

Hoofd schudden.

Verachting laten blijken.

Zo deed men ook toen Jezus aan het kruis hing.



Vers 26

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 28



Vers 30

Het geloof ziet verhoring.

David heeft gebeden om hulp. Nu gaat hij God loven en danken voor Zijn verhoring en hulp.

Nooit kan het geloof té veel verwachten!



<