Hoofdstuk 36


Vers 15

God opent het oor.

God redt de ellendige. In die ellende leert God ook om naar Hem te luisteren.

Dit is een belofte voor Job.



Vers 16

Jouw tafel vol vet.

Hier noemt Elihu de tijd van voorspoed van Job.



Vers 17

De rechtzaak.

Nu vertrouwt Job niet op God.

Hij vindt dat wat hem nu overkomt, de goddelozen moet treffen. Dat zou recht zijn.

Job denkt niet aan de belofte die in vers 15 wordt genoemd.



Vers 21

Pas op.

In de gesprekken met de 3 vrienden verloor Job uit het oog dat hij toch een zondig mens was en bleef. Hij kan geen rechtzaak aanspannen tegen God.

Eigenlijk wist Job dat ook wel.



Vers 22

Loflied op God.

Nu volgt een loflied op God.

Laat Job niet denken dat hij de Almachtige de wet kan voorschrijven.



<