Hoofdstuk 6


Vers 3

Aan hem is niets verleend.

Ook dit was Gods bestuur dat Mordechaï toen géén beloning had gekregen.



Vers 6

Wát doen we aan de man..

Opnieuw Gods bestuur dat de koning de naam van Mordechaï niet noemt.


Dan aan mij.

Hoogmoed kan ons misleiden.



Vers 8

Een Perzisch vorst had alles voor zichzelf alléén, zelfs zijn water.

Het was dan ook een ongelofelijke eer om kleding van de koning te mogen dragen.



Vers 9

Iemand uit de vorsten.

Waarschijnlijk bedoelt Haman één van de 7 raadsheren die altijd bij de koning waren.



<