Hoofdstuk 13


Vers 1

Nehemia was ook een mens.

Bij latere hervormingen verliest Nehemia regelmatig zijn zelfbeheersing.

Ammonieten en Moabieten.

Er staat een verbod in de Thora.

Tobia was een Ammoniet. Hij woont straks zelfs in de tempel.

Een heiden die zich bekeerde werd anders behandeld.



Vers 3

Van allerlei herkomst.

Ook alle vreemde vrouwen moesten ook weg. Dat deed men ook.

Maar... dat had men tijdens Ezra ook al gedaan.



Vers 4

Eljasib.

Wie was dit?

Er was ook een hogepriester die zo heette.



Vers 6

Was ik niet in Jeruzalem.

Ik = Nehemia.


Waarschijnlijk was Nehemia 28 jaar weg en werkt Maleachi als profeet. In zijn bijbelboek lezen we dezelfde problemen. (Dächsel)



Vers 7

Een kamer voor Tobia.

Tobia was een Ammoniet. Die mochten niet in de tempel komen volgens vers 1.



Vers 10

Verplichtingen niet nagekomen.

Het goede voornemen uit Nehemia 12:47 hield men niet vol helaas.

Toen Nehemia weg was verslofte het.

De Levieten moesten nu in eigen onderhoud gaan voorzien.



Vers 11

Huis van God verlaten.

Ik bracht hen bij elkaar.

Nehemia verzamelde de Levieten weer en zette hen weer aan het werk in de tempel.


Probleem.

10 gezinnen (families) moesten 1 geestelijke onderhouden.

Dat was wel zwaar.



Vers 15

De sabbat.

In Nehemia 10:31 hadden ze beterschap beloofd, maar het is al weer mis.



Vers 17



Vers 23

Weer gemengde huwelijken.

Ezra had de vreemde vrouwen laten wegsturen.

Ook bij Nehemia hadden ze beterschap beloofd.

God had het in de Thora verboden.



Vers 24

Geen Judees spreken.

Ze kunnen dus ook de Thora niet lezen of verstaan. Zo raken ze los van de dienst van God.



Vers 25

Trok hun haar uit.

Ezra deed het bij zichzelf

maar Nehemia doet het bij een ander.



Vers 26

Hij zijn God lief was.

Salomo heette ook wel Jedidja = door God geliefd.



Vers 28

Weggejaagd.

Een kleinzoon van de hogepriester had ook een heidense vrouw.

Nehemia stuurt hem weg.



<