Hoofdstuk 7


Vers 6

Zonen van Benjamin.



Vers 20

Numeri 26:35

3 zonen en 6 kleinzonen.

Ze wilden de beloofde erfenissen in Kanaän in bezit gaan nemen. Ze waren van hoge afkomst. Opgegroeid aan het hof van Egypte. Deze 6e generatie na Abraham gaat delen van Kanaän koloniseren.

Kanaän viel toen onder Egyptisch bestuur.

Maar... Ze gedroegen zich niet goed.

1 Kronieken 7:21



Vers 21

Gesneuvelde Efraïmieten.

De "prinsen" in Israël zijn gesneuveld. Efraïm is in rouw. Wat komt er nu terecht van zijn eerstgeboortezegen?



Vers 22

Verwijzing in Psalm 78?

Psalm 78:9 verwijst mogelijk naar deze gebeurtenis.



Vers 23

Beria en Seëra.

=mijn huis is door onheil getroffen.

Dat onheil staat in 1 Kronieken 7:21-23.

De afstammeling van Beria was Jozua, volgens vers 27.

Beria had een dochter Seëra.

1 Kronieken 7:24.

Zij bouwde als "prinses" 3 steden of kastelen in Kanaän. Ze was dus achterkleindochter van Jozef.


Rachab.

In één vd families in Kanaän werd waarschijnlijk Rachab geboren. Haar naam is een herinnering aan Egypte = Rahab.

Geen Kanaäniet zou het in zijn hoofd halen om zijn kind zo'n naam te geven. Aan Egypte waren ze schatplichtig. Maar de stam van Efraïm hoorde bij de edelen van Egypte.

In de amarnabrieven staat dat steden in Kanaän een Egyptische vertegenwoordiger hadden, de zgn Paka.

Het huis van de Paka was een soort ambassade. De grond vd ambassade was waarschijnlijk niet van Jericho, maar van Egypte. Soldaten van Jericho mochten daar dan niet zomaar naar binnen. In Jozua 2:3 vragen de soldaten van Jericho aan Rachab om de verspieders naar buiten te brengen. Ze deden geen huiszoeking. Het huis stond op een prominente plaats bv op stadsmuur.

Was Rachab misschien de weduwe van een Paka?

Jozua 2:1 aantekeningen.



<