Hoofdstuk 9


Vers 1

Jehu gezalfd.

Die zalving was al aan Elia opgedragen.



Vers 3

Oliekruik.

Zo werd ook koning Saul gezalfd. Een kruik is breekbaar.

Deze dynastie van Jehu is ook niet blijvend en eindigt bij de 4e generatie.



Vers 8

Alle mannen.

Letterlijk: wie tegen de wand plast.



Vers 11

Krankzinnige.

Grondwoord is: mesjugga (=mesjokke).

Het is een in extase tot razernij opgezweept persoon.

Het wordt in minachtende zin gebruikt.



Vers 13

De trap.

De trap werd even de troon.



Vers 20

Zoon van Nimsi.

Kleinzoon van Nimsi.



Vers 22

Haar toverijen.

Izebel was een demonisch priesteres van Baäl.



Vers 25

Profetie.

Elia had tegen Achab gesproken ná de moord op Naboth.



Vers 27

Waar stierf Ahazia?

Er staat een ander verhaal in 2 Kronieken 22:9.

Megiddo of Samaria?



Vers 31

Zimri.

Zimri regeerde na de moord op koning Ela slechts 1 week.

Hij stierf als zelfmoordenaar in het brandende paleis.



<