Hoofdstuk 11


Vers 1

Haar zoon was dood.

Ahazia was haar jongste zoon. De oudere zonen waren al eerder door Arabische benden gedood.

Een satanische aanval.

Satan weet van Gods belofte aan David. Uit zijn nageslacht zal de Messias komen.

Satan probeert dat te verhinderen door Davids geslacht uit te roeien.



Vers 2

Joseba.

Ze heet ook wel Josabath.

Ze is een prinses, een dochter van een andere vrouw van Jehoram.

Joseba is dus een halfzus van Ahazia.



Vers 4

Jojada.

Hij was hogepriester.

Hij werd 130 jaar.

Bevelhebbers.

Dat waren er 5.

Ze worden genoemd in

Zij vergaderden de Levieten en stamhoofden.



Vers 5

⅓ deel.

Dat is ⅓ deel van de priesters en Levieten.

Ook de andere ⅔ deel van de Levieten moest de weg van het paleis naar de tempel versperren.



Vers 7

Op de sabbat afgelost.

Deze priesters en Levieten hebben hun weektaak erop zitten, maar ze mogen niet naar huis.

Ze worden de "lijfwacht" van Joas.



Vers 10

Speren en schilden van David.



Vers 12

Getuigenis.

Dat is de wetsrol van Mozes. Daarnaar moest Joas regeren.



Vers 14

Bij de pilaar.

Joas stond bij één van de grote pilaren Jachin en Boaz.

Dat was de plaats van de koning.



Vers 17

Verbond tussen de Heere en de koning.

De koning belooft de HEERE trouw te dienen. Hij belooft volgens Gods wet te regeren.


Verbond tussen de HEERE en het volk.

Het volk belooft de HEERE te dienen en de koning te gehoorzamen.

Koning en volk beloven om de HEERE te dienen. De HEERE zal dan zegenen.



Vers 18

Tempel van Baäl afgebroken.

Door Athalia was de Baäl ook in Jeruzalem gekomen. Er was daar zelfs een tempel. Daarheen had Athalia zelfs de schatten van Gods huis laten brengen.



<