Hoofdstuk 14


Vers 3

Geschenk.

Een geschenk zoals ook een vrouw uit het gewone volk kon geven.


Koeken.

Letterlijk: spikkelkoeken.

Het was een soort krentenbrood.



Vers 8

David, die Mijn geboden hield.

David is de man naar Gods hart vóór Bathseba en dat was hij ook ná Bathseba.



Vers 10

alle mannen.

Letterlijk: wie tegen de muur plast.



Vers 13

Wat goeds voor de HEERE.

Deze Abia was een gelovige jongen, een kind van God.



Vers 14

En wat daarna?

Letterlijk: en wat...reeds nu.

Reeds nu is de persoon die het geslacht van Jerobeam zal uitroeien, geboren.

Die persoon was Baësa.



Vers 15

Wegrukken uit het land.

De Kanaänieten werden ttv Jozua uit Kanaän verdreven om hun vreselijke afgoderij.

Nu gaat Israël op dezelfde weg.

Hier wordt herhaald was Mozes reeds had voorzegd.

Om hun afgoderij moet ook Israël weg uit Gods heilige land.

Gewijde palen.

Dat zijn penisvormige zuilen voor Astarte.

Van beeldendienst kwam het al snel tot afgodendienst.



Vers 21

Náäma.

Deze Ammonietische had waarschijnlijk een slechte invloed op haar zoon.

Ze wordt in vers 31 opnieuw genoemd.



Vers 22

Na-ijver.

Dat is een positieve jaloersheid.

Israël is de vrouw van God. Dit huwelijk werd bij Sinaï gesloten.

Nu gaat Israël vreemd. Israël dient andere goden.

God is daarom na-ijverig.



Vers 24

Schandknapen.

Bij de afgoderij hoorde ook tempelprostitutie.

Er waren vrl en mnl prostituees.



Vers 25

Sisak .

Volgens Bijbel en Wetenschap 159 is deze Sisak farao Ramses III, wiens bijnaam Sessi was.



Vers 26

Alles geroofd.

Waarschijnlijk ontstond nu Psalm 89.

De kroon van David is ontheiligd. De troon is neergestort.

Rahab = Egypte.



Vers 31

Abiam.

Abiam was ook de achterkleinzoon van Absalom.



<